Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
16/7437 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. Belastbaarheid per 12 augustus 2015 is overtuigend gemotiveerd. Geen aanleiding voor urenbeperking. De stelling dat de informatie van Elting onvoldoende is meegewogen in de besluitvorming mist feitelijke grondslag. Niet kan worden vastgesteld dat appellant op 12 augustus 2015 zodanig gehoorverlies had, dat dit hem beperkte in zijn arbeidsmogelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7437 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 oktober 2016, 16/1631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft I.M.H. Merks-Metz hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Appellant en Merks-Metz zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 3 juni 2013 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als chauffeur van een zogenoemde botsabsorber aangereden op rijksweg A28 en is toen uitgevallen uit dat werk met nek-, rug- en schouderklachten. Later hebben zich ook psychische klachten geopenbaard. Op 13 maart 2015 heeft hij een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze aanvraag is in behandeling genomen nadat de aan de werkgever opgelegde verlengde loondoorbetalingsverplichting, welke liep tot en met 11 augustus 2015, was afgelopen. Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

12 augustus 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts, een door deze arts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van een arbeidsdeskundige, die het loonverlies van appellant heeft berekend op 27,54%.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 augustus 2015. Hij heeft in die procedure twee rapporten overgelegd van psychologe R. Elting, een expertiserapport in de letselschadezaak, informatie van zijn behandelend fysiotherapeut en informatie van de neuroloog. Het Uwv heeft psychiater N.J. de Mooij om advies gevraagd. De Mooij heeft op 22 januari 2016 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en reële pijnklachten. De Mooij heeft appellant beperkt geacht ten aanzien van stress, conflicthantering, tempodruk en taken die langdurige concentratie vragen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft hierop de FML aangepast door daaraan beperkingen toe te voegen ten aanzien van lezen en schrijven en door bij de beperking op het item 1.9.5 een toelichting op te nemen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de aanvankelijk geselecteerde functies opnieuw beoordeeld op hun geschiktheid voor appellant, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat de functie met SBC-code 282102, besteller post/pakketten, moet vervallen in verband met de beperkingen wat betreft lezen en schrijven, en dat op basis van de resterende functies het arbeidsongeschiktheidspercentage op 27,58 moet worden gesteld. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de belastbaarheid van appellant op 12 augustus 2015 in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank achtte voorts met de nadere rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 mei 2016 en

23 augustus 2016 voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschreed. Omdat deze motivering pas in de beroepsfase is gegeven, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Het Uwv is daarnaast veroordeeld tot vergoeding aan appellant van diens proceskosten en het griffierecht.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft naar voren gebracht dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft opgenomen in de FML, dat de functie met SBC-code 111220, medewerker intern transport, die in de plaats in gekomen van de vervallen functie, niet geschikt is voor hem omdat ook in die functie een beroep wordt gedaan op lees- en schrijfvaardigheid, dat de informatie van psychologe Elting onvoldoende is meegewogen in de besluitvorming en dat door het ongeval ook gehoorverlies in ontstaan, wat eerst onlangs duidelijk is geworden. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige in te schakelen om zijn beperkingen en mogelijkheden vast te stellen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank en op de door de rechtbank gebezigde overwegingen wordt geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek hebben verricht en de belastbaarheid van appellant per 12 augustus 2015 overtuigend hebben gemotiveerd. Voor de door appellant geclaimde urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien omdat van een situatie waarin aanleiding kan worden gevonden voor een dergelijke beperking geen sprake is: er is geen aantoonbaar energetisch beperkende aandoening, geen sprake van niet beschikbaarheid in verband met behandeling en ook geen in preventief opzicht bestaande noodzaak voor een urenbeperking. Appellant heeft niet weersproken dat een situatie als hiervoor genoemd zich niet voordoet, maar meent niettemin in aanmerking te komen voor een urenbeperking, omdat hij in het dagelijks leven veel rust moet nemen. Appellant heeft echter niet met medische stukken onderbouwd dat rustperiodes medisch noodzakelijk zijn. Er is dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van het achterwege laten van een urenbeperking te twijfelen.

4.2.

Wat betreft de geschiktheid van de functie medewerker intern transport, SBC-code 111220, wordt het volgende overwogen. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 januari 2016 blijkt dat de beperking in lezen en schrijven is ingegeven door de constatering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant praktisch analfabeet is, moeilijk lerend is en aangewezen is op mondelinge instructie, in combinatie met de noodzaak van voorspelbaar en rustig werk, zonder contact met derden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de aanvankelijk geselecteerde functie van besteller post/pakketten, SBC-code 282102, laten vervallen, omdat hij eraan twijfelde of appellant volledig in staat zou zijn om het samen met een collega invoeren van werkbonnen in het computersysteem, dat 15% van de taken uitmaakt, goed uit te voeren. In de functie medewerker intern transport, SBC-code 111220, moeten codes op pakinstructie worden gelezen aan de hand waarvan lesmateriaal moet worden verzameld, dat vervolgens moet worden verpakt, gecontroleerd en verzonden. Deze functie vereist geen computervaardigheden of daarmee vergelijkbare administratieve vaardigheden en wordt door het Uwv wat betreft lezen en schrijven minder belastend geacht dan die van besteller post/pakketten. Dit standpunt wordt gevolgd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de functie medewerker intern transport niet voor hem geselecteerd had mogen worden.

4.3.

In het dossier bevinden zich drie rapporten van psychologe Elting: van 23 september 2015, 2 december 2015 en 27 maart 2017. De Mooij heeft kennisgenomen van de ten tijde van zijn onderzoek bekende eerste twee rapporten. De visie van Elting dat bij appellant sprake is van verwerkings-, acceptatie- en aanpassingsproblematiek heeft hij onderschreven. De rapporten van Elting zijn daarnaast alle bezien door de verzekeringsartsen van het Uwv en door hen betrokken in hun beoordeling. Ook de verzekeringsartsen van het Uwv hebben de door Elting genoemde problematiek bevestigd. De stelling van appellant dat de informatie van Elting onvoldoende is meegewogen in de besluitvorming mist dan ook feitelijke grondslag.

4.4.

Appellant heeft in hoger beroep nog naar voren gebracht dat hij lijdt aan gehoorverlies en aan tinnitus, wat volgens hem na het ongeval in 2013 is ontstaan. Appellant heeft ter onderbouwing hiervan een brief overgelegd van KNO-arts R.H.R. Bettman van 6 maart 2017. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 11 april 2017 gesteld dat het gehoorverlies waarschijnlijk door ouderdom is veroorzaakt en in een rapport van 17 mei 2017 dat de ernst van het gehoorverlies niet uit de brief van Bettman blijkt, dat daarin niet wordt vermeld of een gehoorapparaat nodig is, dat wel is vermeld dat de oorzaak van het gehoorverlies niet bekend is en dat hij geen uitspraak kan doen over de relatie tussen het gehoorverlies en de tinnitus. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat appellant op 12 augustus 2015 zodanig gehoorverlies had, dat dit hem beperkte in zijn arbeidsmogelijkheden.

4.5.

Voor het benoemen van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.H. Budde

ew