Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
16/306 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete bij een in rechte vaststaand intrekkings- en terugvorderingsbesluit. Niet wonen op uitkerings-adres. 50% van het bedrag. Evenredige boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/306 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 december 2015, 15/6171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Groen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 17 februari 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand en op 28 maart 2014 de aanvraag ingediend. Bij haar aanvraag heeft zij vermeld dat zij alleenstaande is, dat zij woont op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres) en dat op dit adres tevens [naam 1] , geboren [in] 1989, woonachtig is. Bij de afhandeling van de aanvraag is een verschil geconstateerd tussen de aanvraag en de basisregistratie personen (BRP). Volgens de BRP stonden op het uitkeringsadres naast appellante onder meer ingeschreven [naam 1] , geboren [in]

1990 ( [X] ) en [naam 2] , geboren [in] 1985. Bij besluit van 23 april 2014 heeft het college aan appellante met ingang van 17 februari 2014 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij een zogeheten digitale schouw op 30 juni 2014 is gebleken dat op het uitkeringsadres zes personen staan ingeschreven, terwijl het een woning van 66 m² met drie kamers betreft. Een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst SZW van de gemeente Den Haag (bijzonder opsporingsambtenaar) heeft samen met een medewerker van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Den Haag (medewerker DSO) bij het uitkeringsadres op de volgende data en tijdstippen getracht een huisbezoek af te leggen:

14 juli 2014 om 19.30 uur, 21 juli 2014 om 19.54 uur, 4 augustus 2014 om 18.39 uur,

29 september 2014 om 19.38 uur en 7 oktober 2014 om 19.30 uur.

1.3.

Op 8 oktober 2014 om 8.00 uur hebben de bijzonder opsporingsambtenaar en de medewerker DSO een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd en de daar aangetroffen

[X] en [naam 3] ( [Y] ) gehoord.

1.4.

Gelet op de bevindingen bij het huisbezoek hebben de bijzonder opsporingsambtenaar en de medewerker DSO geconcludeerd dat appellante niet verblijft op het uitkeringsadres. Bij brief van 8 oktober 2014 heeft het college appellante opgeroepen om op 10 oktober 2014 te verschijnen op het stadsdeelkantoor. Appellante is zonder bericht niet verschenen. Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2014 opgeschort, appellante verzocht op 15 oktober 2014 te verschijnen en de in het besluit van 13 oktober 2014 genoemde gegevens naar het gesprek mee te nemen. Appellante is niet verschenen.

1.5.

Hierop heeft het college bij besluit van 22 oktober 2014 de bijstand van appellante met ingang van 17 februari 2014 ingetrokken en de over de periode van 17 februari 2014 tot

1 oktober 2014 gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van

€ 5.883,28. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat vanaf juli 2014 diverse keren is geprobeerd een huisbezoek af te leggen en dat tijdens het huisbezoek op 8 oktober 2014 is gebleken dat appellante niet feitelijk haar hoofdverblijf heeft of heeft gehad op het uitkeringsadres. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand vanaf 17 februari 2014 niet langer worden vastgesteld. Bij besluit van 5 januari 2015 heeft het college het tegen het besluit van 22 oktober 2014 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard in verband met termijnoverschrijding.

1.6.

Bij brief van 19 december 2014 heeft het college appellante het voornemen tot het opleggen van een boete meegedeeld. In reactie op deze brief heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat appellante het besluit tot intrekking/terugvordering niet heeft ontvangen, dat zij juiste informatie heeft verstrekt, dat haar geen verwijt valt te maken en dat de brief van 19 december 2014 ten onrechte niet is gezonden aan het BRP-adres van appellante. Zij staat per 11 december 2014 ingeschreven op het adres [adres] .

1.7.

Bij besluit van 24 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college appellante een boete opgelegd van € 5.883,28. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante zich niet heeft gehouden aan de verplichting tijdige of juiste informatie te verstrekken die van belang is voor het vaststellen van het recht op uitkering en/of de hoogte ervan. Appellante heeft namelijk niet doorgegeven niet gewoond te hebben op het uitkeringsadres. Ook heeft zij een adreswijziging naar [gemeente] niet doorgegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 24 maart 2015 herroepen en bepaald dat aan appellante een boete wordt opgelegd van € 2.941,64. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeksbevindingen is komen vast te staan dat appellante in de periode van 17 februari 2014 tot en met 30 september 2014 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Omdat appellante geen inlichtingen heeft verstrekt over haar woonsituatie, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet aangetoond dat bij appellante sprake is geweest van opzet. Van een verminderde verwijtbaarheid is de rechtbank niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank een boete van 50% van het benadelingsbedrag passend.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat het besluit tot intrekking en terugvordering in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451) brengt een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot herziening en terugvordering van de bijstand niet met zich mee dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook met betrekking tot een daarna volgende bestraffende sanctie onherroepelijk vaststaan. In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld.

4.2.

Bij het bepalen van de hoogte van de boete is het college uitgegaan van het benadelingsbedrag van € 5.883,28, dat betrekking heeft op de periode van 17 februari 2014 tot 1 oktober 2014 (periode in geding). Appellante heeft bij de hoorzitting en ter zitting bij de Raad verklaard dat zij vanaf 18 augustus 2014 niet op het uitkeringsadres heeft verbleven. Zij heeft aangevoerd dat zij in de periode daarvoor wel degelijk op het uitkeringsadres heeft verbleven.

4.3.

De bevindingen bij het huisbezoek bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende de gehele periode in geding niet op het uitkeringsadres heeft gewoond. Daartoe wordt als volgt overwogen. Uit een eind maart 2014 gegenereerde lijst “Afwijking medebewoners” blijkt dat [X] ten tijde van de aanvraag om bijstand van appellante van 28 maart 2014 al op het uitkeringsadres stond ingeschreven. Hij heeft op

8 oktober 2014 tegenover de bijzonder opsporingsambtenaar en de medewerker DSO verklaard dat hij sinds 24 januari 2014 op dit adres woont, dat hij appellante niet kent, dat zij daar niet woont en dat zij ook nooit op het uitkeringsadres heeft gewoond. A heeft op die datum verklaard dat zij appellante nooit heeft gekend en nooit heeft gezien. Uit de woonsituatie zoals die is aangetroffen bij het op 8 oktober 2014 afgelegde huisbezoek blijkt dat de woning een tweekamerwoning is (voorheen driekamerwoning), dat in de woning maar één slaapkamer is waar [X] en [Y] slapen, en dat er verder in de woning geen slaapplaatsen zijn. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de verklaring van [X] onjuist is maar zij heeft deze enkele stelling niet nader onderbouwd met concrete verifieerbare gegevens, zodat geen grond bestaat om niet van die tegenover een bijzonder opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring uit te gaan. Appellante heeft er in dit verband nog op gewezen dat

[Y] en [X] niet de hoofdbewoners zijn van het uitkeringsadres, maar dit gegeven is hier niet van belang. Zij waren immers blijkens het huisbezoek de feitelijke bewoners van het uitkeringsadres, zodat zij over de feitelijke situatie aldaar konden verklaren. [X] woonde daar in elk geval ten tijde van de bijstandsaanvraag van appellante al en kon aldus verklaren over de feitelijke situatie op het uitkeringsadres over de gehele periode in geding. Anders dan appellante heeft betoogd maakt het feit dat de hoofdbewoner, die in detentie verbleef, niet is gehoord dan ook niet dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest.

4.4.

Vaststaat dat appellante bij het college niet heeft gemeld dat zij in de in geding zijnde periode niet op het uitkeringsadres verbleef. Gelet op 4.3 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante daardoor de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante kan hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat het college gehouden was een boete op te leggen. De door de rechtbank vastgestelde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding en aan de mate van verwijtbaarheid.

4.5.

De beroepsgrond van appellante dat geen sprake is van een benadelingsbedrag omdat het recht op bijstand al per 1 oktober 2014 was ingetrokken, slaagt niet. Gelet op 4.2 en 4.3 ziet de schending van de inlichtingenverplichting in verband waarmee de boete is opgelegd op de daarvoor gelegen periode. De in geding zijnde periode betreft een periode waarin het college ten onrechte aan appellante bijstand heeft verstrekt, zodat wel degelijk sprake is van een benadelingsbedrag.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. ter Brugge en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017.

(getekend) Y.J. Klik

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

JvC