Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
16/39 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bevordering terecht afgewezen omdat appellante niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm. Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/39 AW

Datum uitspraak: 5 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 november 2015, 15/165 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.D. Dane hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Namens appellante is mr. Dane verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B. van Doorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam in de functie van [functie 1] Gebiedsgebonden Politie ([functie 1]) bij de voormalige politieregio [regio] , thans de Eenheid [eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op 1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de [functie 1]’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de [functie 1] naar een volgend niveau of functie. Voor de doorstroming (bevordering) van [functie 1] (schaal 7) naar senior [functie 1] (schaal 8) is in het loopbaanbeleid onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd.

1.3.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft alle korpschefs bij brief van 26 oktober 2012 bericht dat het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) tot de conclusie is gekomen dat het vaststellen van het begrip ‘boven de norm’ geschiedt per korps in overleg met de eigen ondernemingsraad. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid [functie 1] van het CGOP nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld.

1.4.

Nadat binnen de Eenheid [eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het CGOP besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire. Voorts zijn met de ondernemingsraad nadere afspraken vastgesteld ter uitwerking van het vereiste van een beoordeling boven de norm. Deze zijn vastgelegd in een beleidsdocument van 26 november 2013. Dit luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Verzoekers kunnen hun vakmanschap aantonen door middel van een beoordeling die opgemaakt moet zijn tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013. De beoordeling mag geen A- of B-score bevatten. Daarnaast dient de beoordeling over

minimaal 5 D-scores te beschikken waarvan 2 D-scores in de beoordelingskolom Professionaliteit, 2 D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en 1 D-score in de kolom Resultaten.”

1.5.

Het functioneren van appellante in de functie van [functie 1] in de periode van

18 juni 2009 tot en met 1 juli 2010 is beoordeeld met vier D-scores, waarvan één in de kolom Professionaliteit, drie in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en geen in de kolom Resultaten (beoordeling 1).

1.6.

Het functioneren van appellante in de periode van 1 juni 2011 tot en met 10 juni 2012 is beoordeeld met acht D-scores, waarvan vijf in de kolom Professionaliteit, één in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en twee in de kolom Resultaten (beoordeling 2). De beoordelaar heeft als bijzonderheid in de beoordeling opgenomen dat appellante in het kader van persoonlijke ontwikkeling over de periode van 18 juni 2011 tot 1 maart 2012 de functie van [functie 2] fulltime heeft waargenomen - en daarbij werd gecoacht door een andere [functie 2] - en dat de beoordeling in het teken van deze waarneming staat.

1.7.

Appellante heeft op 5 november 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid. De korpschef heeft dit verzoek, na dit in eerste instantie bij besluit van 14 november 2012 te hebben afgewezen wegens zwaarwegend dienstbelang, bij besluit van 19 maart 2014 alsnog afgewezen op de grond dat beoordeling 2 niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm.

1.8.

Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten van 14 november 2012 en 19 maart 2014 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat het verzoek om bevordering terecht is afgewezen nu beoordeling 1 en beoordeling 2 niet voldoen aan het vereiste van een beoordeling boven de norm.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover thans van belang - overwogen dat de korpschef voor de invulling van het begrip boven de norm beoordelingsruimte heeft en dat geen sprake is van een kennelijk onredelijke invulling van die norm. De beoordelingen van appellante staan in rechte vast en niet in geschil is dat zij niet aan de door de korpschef gestelde voorwaarden voldoet voor het functioneren boven de norm. Dat appellante in de periode van 1 juni 2011 tot 1 maart 2012 de functie van [functie 2] (schaal 9) heeft waargenomen leidt niet tot het oordeel dat appellante toch aan de voorwaarden voldoet, nu het hier niet gaat om werkervaring als [functie 1] .

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat zij, ook al voldoet beoordeling 2 niet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm, toch geacht moet worden te beschikken over een beoordeling boven de norm in de functie van [functie 1] . Zij betwist niet dat beoordeling 2 formeel ziet op de functie van [functie 1] , maar materieel ziet deze op de functie van [functie 2]. Nu deze functie ten tijde van de beoordelingsperiode werd gewaardeerd in schaal 9, dienen de gegeven scores daarom in dat licht te worden bezien.

3.2.

De korpschef heeft hiertegen aangevoerd dat beoordeling 2 is opgemaakt in de functie van [functie 1] . Weliswaar moet deze beoordeling in het kader van de waarneming van de functie van [functie 2] schaal 9 worden gezien, maar dit kan er volgens de korpschef niet toe leiden dat de gegeven scores (fictief) moeten worden omgezet in hogere scores op de functie van [functie 1] schaal 7. Bovendien betreft het een geheel andere functie met andere competenties.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat beoordeling 1 en beoordeling 2 - die beide in rechte vaststaan - op zichzelf beschouwd niet voldoen aan het vereiste van een beoordeling boven de norm zoals ingevuld door de Eenheid [eenheid] . Met deze invulling is de korpschef naar het oordeel van de Raad binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven (uitspraak van 10 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4336).

4.2.

De Raad is van oordeel dat appellante niet beschikt over een beoordeling in de functie van [functie 1] die boven de norm is. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de scores, die door de beoordelaar (mede) zijn gegeven in het licht van het functioneren in een functie met een hogere schaal, dienen te worden geconverteerd naar het niveau van een [functie 1] en dus hoger - en daarmee boven de norm - dienen uit te vallen. Daartoe acht de Raad van belang dat uit beoordeling 2 blijkt dat appellante gedurende het gehele beoordelingstijdvak formeel was aangesteld in de functie van [functie 1] en dat zij blijkens de tekst van de beoordeling op dezelfde competenties als in beoordeling 1 is beoordeeld. Bovendien ziet beoordeling 2 wat de periode 1 maart 2012 tot en met 10 juni 2012 betreft niet op de waarneming van de functie van [functie 2], zodat ook om die reden een eventuele conversie niet aan de orde kan zijn.

4.3.

De Raad merkt nog op dat appellante, voor zover zij van mening is dat zij niet op de juiste competenties is beoordeeld dan wel de gegeven scores te laag zijn, tegen beoordeling 2 bezwaar had kunnen maken. Daarnaast had appellante, nadat zij een verzoek om bevordering had ingediend en op de hoogte was van de invulling van het begrip boven de norm binnen de Eenheid [eenheid] , om een beoordeling in de functie van [functie 1] over de periode na juni 2012 kunnen verzoeken.

4.4.

Uit 4.2 volgt dat de korpschef het verzoek om bevordering terecht heeft afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1.

Appellante heeft ter zitting van de Raad verzocht om vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De korpschef heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

5.2.

Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.3.

In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling in hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.4.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift, eind december 2012, tegen het besluit van 14 november 2012, tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim negen maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is daarom met ruim negen maanden overschreden. Vastgesteld moet worden dat sprake is van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase. In de rechterlijke fase is de behandelingsduur niet overschreden. Zoals de Raad heeft overwogen in de in 5.3 genoemde uitspraak, is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Hieruit volgt dat de korpschef wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,-.

6. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellante ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 247,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad, met een waarde per punt van € 495,- en met wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de korpschef tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 247,50.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Dinleyici

HD