Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
16/2711 PW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Financiële situatie niet inzichtelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2711 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 april 2016, 15/4481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haring. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.G. Böhm.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 24 februari 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet en heeft de aanvraag op 8 maart 2015 ingediend. Het college had een eerdere aanvraag van 16 december 2014 van appellant na het eindigen van zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn broer op het adres [adres A] te [plaatsnaam 1]. Zijn woonlasten op dat adres bedroegen toen volgens de opgave van appellant € 602,- per maand. Appellant heeft bij zijn nieuwe aanvraag vermeld dat hij weer verblijft op zijn oude adres [opgegeven adres] te [plaatsnaam 2] (opgegeven adres) en dat zijn woonlasten € 1500,- per maand bedragen.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon-en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben twee casemanagers Handhaving van de gemeente Zaanstad onder meer dossieronderzoek verricht, waarnemingen gedaan, buurtonderzoek verricht en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage met als einddatum 8 april 2015.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 april 2015 de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat hij onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn inkomens- en woonsituatie als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college bij e-mailbericht van 25 augustus 2015 appellant verzocht nadere informatie te verstrekken over onder meer zijn woonlasten tot en met 31 december 2014, over de eigendom van de woning op het opgegeven adres en over de vraag hoe appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Verder heeft het college appellant verzocht bankafschriften over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juni 2015 over te leggen. Appellant heeft de door het college gevraagde gegevens deels verstrekt.

1.5.

Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. Niet is vast te stellen wie zijn vaste lasten heeft betaald. Indien de vaste lasten, zoals bijvoorbeeld water en elektriciteit, niet zouden zijn betaald zouden deze zijn afgesloten, wat niet het geval is. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij woont op het opgegeven adres en heeft niet gemeld dat hij werkzaamheden als rijinstructeur heeft verricht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 24 februari 2015 tot en met 14 april 2015.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aanspraak maakt op bijstand. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij grote schulden heeft en zijn vaste lasten al een flinke periode niet had betaald. Dat die lasten niet zijn betaald betekent niet dat die kosten er niet zijn. Aan appellant zijn hierover verder ook geen vragen gesteld en appellant ging ervan uit dat dat de door hem verstrekte informatie voldoende zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.2.

Op de door appellant overgelegde bankafschriften over de periode voorafgaande aan zijn aanvraag zijn geen afschrijvingen zichtbaar van woonlasten, zoals hypotheek, of andere vasten lasten, zoals energiekosten en de premie voor de zorgverzekering. Ook uit de bankafschriften die zien op de hier te beoordelen periode blijkt niet dat appellant woonlasten of andere vaste lasten, zoals energiekosten, heeft betaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vaste lasten in de periode voorafgaande aan zijn aanvraag en tijdens zijn aanvraag niet zijn betaald. Op de woning op het opgegeven adres rustte een hypotheek op naam van appellant die maandelijks moest worden afgelost. Ook was appellant niet verstoken van elektriciteit. Appellant heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt van de hypotheekverstrekker dan wel de energieleverancier, waaruit blijkt dat deze lasten niet zijn betaald. Gelet daarop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat onduidelijk is hoe appellant dan wel wie voor appellant de vaste lasten heeft betaald. Appellant heeft voorts niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd dat hij als gevolg van schulden voornoemde lasten niet kon betalen. Het betoog van appellant dat het aan het college is te onderzoeken op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, slaagt niet, nu, zoals blijkt uit 4.2, de bewijslast bij appellant ligt.

4.4.3.

Voorts kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog ter zitting dat het college hem bij de aanvraag niet heeft gevraagd bewijsstukken over te leggen om zijn financiële situatie te onderbouwen en dat het in de procedure steeds met name is gegaan over de woonsituatie van appellant en de vermeende werkzaamheden als rijinstructeur. In het kader van de aanvraag heeft het college appellant verzocht bankafschriften over te leggen van zijn betaal- en spaarrekeningen van de afgelopen drie maanden voorafgaande aan zijn aanvraag en over de periode vanaf 1 januari 2015. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college appellant opnieuw verzocht bankafschriften over te leggen alsmede informatie te verstrekken over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Tijdens de hoorzitting is aan de orde gekomen dat niet inzichtelijk is dat de vaste lasten zijn betaald. In het bestreden besluit heeft het college voorts aan appellant tegengeworpen dat uit de bankafschriften over de periode van oktober 2014 tot en met mei 2015 geen enkele afschrijving is te zien waaruit de (woon)lasten te herleiden zijn. Hieruit volgt dat het voor appellant voldoende duidelijk moet zijn geweest dat hij inzicht moest geven in zijn financiële situatie, waaronder inzicht in zijn vaste lasten. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep gelegenheid gehad om zijn financiële situatie alsnog inzichtelijk te maken. Appellant heeft dit niet gedaan.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. Reeds om die reden heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. De beroepsgronden over de woonsituatie op het opgegeven adres en de werkzaamheden van appellant als rijinstructeur zullen daarom buiten bespreking blijven.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van

J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD