Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/4285 AKW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:465
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van appellant om terug te komen van het afwijzende besluit en van het beëindigingsbesluit. Nu elke rechtens denkbare benadering van dit verzoek slechts tot afwijzing hiervan kan leiden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door dit verzoek van appellant af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4285 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2016, 15/8113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 13 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in maart 2001 met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar Marokko verhuisd. In Marokko heeft hij twee kinderen gekregen, geboren in maart 2004 en in maart 2006.

1.2.

Bij besluit van 8 februari 2005 is aan appellant kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2004. Bij besluit van
28 september 2006 heeft de Svb medegedeeld dat de kinderbijslag ten onrechte is toegekend, en het recht op kinderbijslag van appellant beëindigd met ingang van het tweede kwartaal van 2006. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant hiertegen bij uitspraak van 29 april 2008 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is rechtens onaantastbaar geworden.

1.3.

Appellant heeft de Svb bij brief van 18 januari 2012, onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad uit maart 2011, verzocht om hem met terugwerkende kracht vanaf het tweede kwartaal van 2006 kinderbijslag toe te kennen. De Svb heeft appellant bij besluit van 13 februari 2012 medegedeeld dat het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag, en dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2011 omdat hij niet woont en werkt in Nederland. Verder voldoet hij niet aan de criteria om in aanmerking te komen voor toepassing van het overgangsrecht, omdat zijn kinderen op 1 oktober 1999 nog niet waren geboren.

1.4.

Bij brief van 29 mei 2015 heeft appellant de Svb wederom verzocht hem kinderbijslag toe te kennen met terugwerkende kracht vanaf 2006. Hij heeft daarbij verwezen naar een niet nader aangeduide uitspraak van de Raad van december 2014 omtrent kinderbijslagrechten voor in Marokko wonende Nederlanders, en zich op het standpunt gesteld dat de Svb hem ten onrechte geen kinderbijslag heeft toegekend vanaf 2006.

1.5.

Bij besluit van 9 juli 2015, aangevuld bij brief van 1 september 2015, heeft de Svb appellant medegedeeld dat zijn aanvraag kan worden beoordeeld met een terugwerkende kracht van één jaar. Appellant heeft geen recht op kinderbijslag, omdat hij niet als verzekerd voor de AKW kan worden aangemerkt vanaf het tweede kwartaal van 2014 en omdat hij niet valt onder de overgangsregeling omdat zijn kinderen op 1 oktober 1999 nog niet geboren waren. Over kwartalen voorafgaand aan het tweede kwartaal van 2014 heeft de Svb zich niet uitgesproken.

1.6.

Bij besluit van 6 november 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Vastgesteld is dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2014 tot en met het derde kwartaal van 2015. Er is geen sprake van een bijzonder geval waardoor het recht op kinderbijslag met een langer terugwerkende kracht dan een jaar moet worden beoordeeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 9 juli 2015 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag van appellant van 29 mei 2015 enerzijds moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het eerdere afwijzende besluit van 13 februari 2012 en anderzijds als een verzoek om vanaf het eerste kwartaal waarop in het eerdere afwijzende besluit nog niet is beslist, het tweede kwartaal van 2012, kinderbijslag toe te kennen. Appellant heeft volgens de rechtbank geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd, zodat het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 13 februari 2012, moet worden afgewezen. Voor zover het toekenning van kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2012 betreft heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om verzekerd te zijn in de zin van de AKW. Het beroep van appellant op artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko van 14 februari 1972 (NMV) kan niet slagen, omdat deze bepaling niet ziet op de voorvraag of iemand als verzekerde is aan te merken. In zoverre de aanvraag ziet op toekenning van kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2012, moet de aanvraag worden afgewezen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank partij heeft gekozen en de fouten die de Svb heeft gemaakt niet juist heeft beoordeeld. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel recht heeft op kinderbijslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor zover appellant heeft beoogd aan te voeren dat de rechter die de uitspraak heeft gedaan partijdig is geweest, wordt overwogen dat appellant deze stelling niet heeft onderbouwd. De Raad heeft geen enkele aanwijzing gevonden voor vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter die de uitspraak heeft gedaan.

4.2.

Over het verzoek van appellant van 29 mei 2015 om kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2006 oordeelt de Raad als volgt. Dit verzoek moet enerzijds worden opgevat als een herhaalde aanvraag om kinderbijslag over kwartalen ten aanzien waarvan de Svb eerder (te weten bij de besluiten van 28 september 2006 en 13 februari 2012) heeft vastgesteld dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag. Anderzijds heeft dit verzoek te gelden als een aanvraag om kinderbijslag over kwartalen waarover een dergelijk besluit niet voorligt.

4.3.1.

Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een nieuwe aanvraag om kinderbijslag, wordt als volgt geoordeeld.

4.3.2.

Niet in geschil is dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarin het recht op kinderbijslag eerder kan ingaan dan een jaar vóór de aanvraag. De Svb heeft de beoordeling van de nieuwe aanvraag dus terecht beperkt tot het tweede kwartaal van 2014 tot en met het derde kwartaal van 2015 (het kwartaal waarin het primaire besluit is genomen).

4.3.3.

Appellant verbleef op en na 1 april 2014 (de peildatum van het tweede kwartaal van 2014) met een WAO-uitkering in Marokko. Ingevolge artikel 26, eerste lid onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) was tot 1 januari 2000 verzekerd voor de AKW de persoon die buiten Nederland was gaan wonen en op de dag van zijn vertrek recht had op een WAO-uitkering (…). Artikel 26 van

KB 746 is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. In artikel 27 van KB 746 was bepaald dat degene die tot aan 1 januari 2000 verzekerd was op grond van artikel 26, en die uitsluitend door het vervallen van dat artikel vanaf die dag geen recht meer had op kinderbijslag,

AKW-verzekerd bleef, zolang het jongste kind waarvoor hij vóór die dag recht had op kinderbijslag, de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Vanaf 1 januari 2006 is artikel 7c van de AKW in werking getreden. Op grond van deze bepaling behoudt degene die op grond van artikel 27 van KB 746 recht had op kinderbijslag, dit recht zolang het jongste kind waarvoor hij al recht had op kinderbijslag, nog geen 18 jaar oud was.

4.3.4.

Appellant is in 2001 vertrokken naar Marokko. Omdat artikel 26 van KB 746 toen al vervallen was, was hij vanaf de dag van zijn vertrek naar Marokko recht niet voor de AKW verzekerd wegens het ontvangen van een WAO-uitkering. Bovendien had hij toen nog geen kinderen. Om die redenen is het overgangsrecht zoals beschreven onder 4.4 nooit op hem van toepassing geweest. Dat hij tussen 2004 en 2006 ten onrechte enige tijd kinderbijslag heeft ontvangen, doet hieraan niet af.

4.3.5.

Voor zover appellant heeft beoogd een beroep te doen op de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4181 en artikel 5 van het NMV wordt overwogen dat deze uitspraak betrekking heeft op korting op kinderbijslag wegens het woonlandbeginsel bij betrokkenen die verzekerd zijn voor de AKW. Nu appellant niet verzekerd is voor de AKW kan dit beroep niet slagen.

4.3.6.

Geconcludeerd wordt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant van het tweede kwartaal van 2014 tot en met het derde kwartaal van 2015 geen recht heeft op kinderbijslag.

4.4.1.

In zoverre het verzoek van appellant van 29 mei 2015 moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten, wordt als volgt geoordeeld.

4.4.2.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven, dat de Svb het verzoek van appellant van 29 mei 2015 ten onrechte niet mede heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het afwijzende besluit van 13 februari 2012. Daarnaast had de Svb dit verzoek moeten opvatten als een verzoek om terug te komen van het beëindigingsbesluit van
28 september 2006.

4.4.3.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een eerder besluit, inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.4.4.

Het bestuursorgaan kan er echter ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.

4.4.5.

Gelet op het gestelde in 4.4.3 stond het de rechtbank, in ieder geval bij de huidige stand van de rechtspraak, niet vrij om, zelf in de zaak voorziende, onder de enkele overweging dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, te beslissen dat zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 13 februari 2012 moet worden afgewezen. Bovendien heeft de rechtbank niet in haar oordeel betrokken dat appellant ook heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 28 september 2006. Om deze redenen moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Bezien moet worden, of er niettemin ruimte bestaat voor een finale beslechting van het geschil.

4.4.6.

De Svb voert het beleid dat, ook als geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, toch wordt teruggekomen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, als dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. Ter zitting heeft de Svb verklaard dat hij de besluiten van 13 februari 2012 en 28 september 2006 niet onmiskenbaar onjuist acht, zodat er geen reden is om hiervan terug te komen. Een volledige heroverweging zou volgens de Svb niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op wat in 4.3.2 tot en met 4.3.5 is overwogen, moet de Svb in dit standpunt worden gevolgd.

4.4.7.

Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van appellant om terug te komen van het afwijzende besluit van 13 februari 2012 en van het beëindigingsbesluit van 28 september 2006. Nu elke rechtens denkbare benadering van dit verzoek slechts tot afwijzing hiervan kan leiden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door dit verzoek van appellant af te wijzen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van appellant om terug te komen van het afwijzende besluit van 13 februari 2012 en van het beëindigingsbesluit van 28 september 2006;

- wijst het verzoek van appellant om terug te komen van het afwijzende besluit van
13 februari 2012 en van het beëindigingsbesluit van 28 september 2006 af;

- draagt de Svb op het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 45,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2017.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

AB