Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
15/6035 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6035 WIA

Datum uitspraak: 13 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2015, 15/965 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Namens appellant is
mr. Verkoeijen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam als monteur, heeft zich op 2 oktober 2012 ziek gemeld met rugklachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft er een medisch onderzoek plaatsgevonden verricht waarbij kennis is genomen van de informatie van de behandelend sector. Vervolgens zijn er beperkingen vastgesteld voor het verrichten van arbeid en deze zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juli 2014. Nadat de arbeidsdeskundige passende functies heeft geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht, heeft het Uwv bij besluit van 20 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat hij met ingang van 27 oktober 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De beperkingen zoals neergelegd in de FML van 21 juli 2014 doen geen recht aan zijn klachten als gevolg van de hernia. Er zijn onvoldoende beperkingen aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen als ook statische houdingen. Ook had een urenbeperking moeten worden aangenomen. Verder heeft appellant de geschiktheid voor de geduide functies bestreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook na eigen medisch onderzoek de beoordeling door de verzekeringsarts bevestigd. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee van de geselecteerde functies laten vervallen en vastgesteld dat met de resterende functies de mate van arbeidsongeschiktheid eveneens onder 35% blijft. Bij besluit van 24 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een zorgvuldig verricht medisch en arbeidskundig onderzoek. Voor het standpunt van appellant dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen ziet de rechtbank in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na de hoorzitting een aanvullend medisch onderzoek verricht waarbij specifiek op de klachten en de gronden van het bezwaar is ingegaan. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellant overgelegde informatie kenbaar in het rapport van 30 januari 2015 betrokken en gewogen. Op basis van de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen vast te stellen noch een urenbeperking aan te nemen, omdat de noodzaak daartoe naar objectief medische maatstaven ontbreekt. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de belasting in de voor appellant geschikt geachte functies zijn medische belastbaarheid niet overschrijdt.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in bezwaar en beroep ingediende gronden herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de daaraan verbonden conclusie voor de medische grondslag van het bestreden besluit worden geheel onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Nu appellant in hoger beroep zijn stellingen niet met medische verklaringen heeft onderbouwd, is geen twijfel gerezen aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.2.

Ook wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit worden de overwegingen van de rechtbank onderschreven.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aangezien de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, moet het verzoek om vergoeding van schade worden afgewezen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB