Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
16/7961 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 13 juli 2015 is door appellant terecht niet‑ontvankelijk verklaard.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 13 juli 2015, voor zover die ziet op de (hoogte van de) aan betrokkene opgelegde boete, niet gericht is op een rechtsgevolg en in zoverre geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De boete, en de hoogte daarvan, was immers al vastgesteld bij het besluit van 31 juli 2013. De brief van 13 juli 2015 is in zoverre enkel een herhaling van het besluit van 31 juli 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7961 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2016, 15/4871 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 26 april 2013 heeft appellant de toekenning aan betrokkene van studiefinanciering herzien in die zin dat zij vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode te veel betaalde bedrag van € 3.066,48 is daarbij van haar teruggevorderd. De Raad heeft hierover een eindoordeel gegeven in de uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1867.

1.2.

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft appellant een bestuurlijke boete van € 1.533,24 aan betrokkene opgelegd. Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend.

1.3.

Bij brief van 13 juli 2015 is aan betrokkene, met betrekking tot de boete, een betalingsverzoek gestuurd. Hierbij is betrokkene verzocht om het bedrag van € 1.533,24 voor 24 augustus 2015 te betalen. Betrokkene heeft bezwaar ingesteld tegen de brief van 13 juli 2015.

1.4.

Bij besluit van 25 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 13 juli 2015 niet‑ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat de brief van 13 juli 2015 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant, met inachtneming van hetgeen is overwogen, opnieuw op het bezwaar van betrokkene dient te beslissen. De rechtbank heeft hiertoe geoordeeld dat de brief van 13 juli 2015 wel is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat betrokkene enkel bezwaar heeft gemaakt tegen de eerder aan haar opgelegde boete. Nu deze boete is opgelegd bij besluit van 31 juli 2013 en niet bij de brief van 13 juli 2015, dient het bewaar van betrokkene niet‑ontvankelijk te worden verklaard.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Betrokkene is in haar bezwaar tegen de brief van 13 juli 2015 enkel opgekomen tegen de aan haar opgelegde boete en heeft daarmee slechts beoogd om het besluit van 13 juli 2013, de bestuurlijke boete, aan te tasten. Nu betrokkene niet tijdig rechtsmiddelen tegen dat besluit heeft aangewend, is dat besluit echter in rechte komen vast te staan.

4.2.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 13 juli 2015, voor zover die ziet op de (hoogte van de) aan betrokkene opgelegde boete, niet gericht is op een rechtsgevolg en in zoverre geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De boete, en de hoogte daarvan, was immers al vastgesteld bij het besluit van 31 juli 2013. De brief van 13 juli 2015 is in zoverre enkel een herhaling van het besluit van 31 juli 2013. Het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 13 juli 2015 is door appellant dan ook terecht niet‑ontvankelijk verklaard.

4.3.

De stellingen van betrokkene dat zij geen fraude heeft gepleegd en dat de boete daarom niet opgelegd had mogen worden, behoeven – gelet op het bovenstaande – geen bespreking meer.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) H. Achtot

AB