Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3487

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
16/2935 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:631
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht geweigerd, omdat appellant geen werknemer is. Geen sprake van een gezagsverhouding tussen hem en de [School]. Appellant is werkzaam geweest als docent. Appellant heeft zijn werkzaamheden voor [School] verricht op basis van twee overeenkomsten van opdracht, die zijn gesloten tussen [School] en de eenmanszaak van appellant.

De inhoud van de overeenkomsten laat geen andere conclusie toe dan dat appellant en [School] bij het sluiten van de overeenkomsten hebben beoogd een overeenkomst van opdracht aan te gaan. De overeenkomsten tussen appellant en [School] zijn niet te kwalificeren als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Appellant is niet op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 3 van de WW en de ZW bij [School] werkzaam geweest.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Werkloosheidswet 126
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0239
AB 2017/413 met annotatie van F.P. Krijnen
NJB 2017/2002
RSV 2017/264
Viditax (FutD), 17-10-2017
FutD 2017-2668
USZ 2017/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2935 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 april 2016, 15/3859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[School] te [gemeente] ( [School] )

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.P.M. Boelens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[School] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant, opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, is verschenen, bijgestaan door mr. Boelens. Het Uwv, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Namens [School] , opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, is verschenen mr. M.D.M. Stadhouders.

Na de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek is heropend. [School] heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boelens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Put. Namens [School] is verschenen mr. Stadhouders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 april 2012 tot 1 februari 2013 werkzaam geweest als [docent] voor [School] . Appellant heeft zijn werkzaamheden voor [School] verricht op basis van twee overeenkomsten van opdracht, die zijn gesloten tussen [School] en [eenmanszaak] , de eenmanszaak van appellant.

1.2.

Volgens een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) van de Belastingdienst over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 worden de inkomsten uit werkzaamheden die appellant verricht op het gebied van journalistiek en communicatie aangemerkt als winst uit onderneming en hoeft de opdrachtgever over die inkomsten geen loonbelasting/premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen in te houden (VAR-wuo).

1.3.

Op 12 mei 2014 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend, waarbij hij 1 februari 2013 als eerste werkloosheidsdag en [School] als zijn laatste werkgever heeft vermeld. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv appellant verzocht om een kopie over te leggen van de arbeidsovereenkomst met [School] , de loonstroken van [School] over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 januari 2013 en de ontslagbrief van [School] . In reactie daarop heeft appellant de twee overeenkomsten van opdracht toegezonden.

1.4.

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 1 februari 2013 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering, omdat hij geen werknemer is in de zin van die wet. Appellant kan niet worden beschouwd als werknemer, omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding tussen hem en [School] .

1.5.

Appellant heeft vervolgens bij het Uwv een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd. In een ongedateerde brief, ingekomen bij het Uwv op 23 juni 2014, heeft appellant uiteengezet dat hij sinds 1 februari 2013 door het handelen van [School] ziek thuis zit.

1.6.

Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het Uwv beslist dat appellant geen ZW-uitkering kan ontvangen, omdat hij niet als werknemer verzekerd is voor die wet.

1.7.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 16 mei 2014 en 23 juni 2014. De bezwaren van appellant zijn besproken tijdens een hoorzitting op 23 oktober 2014.

1.8.

Lopende de bezwaarprocedure heeft de kantonrechter van de rechtbank Overijssel bij vonnis van 2 december 2014 als zijn voorlopig oordeel gegeven dat de rechtsverhouding tussen appellant en [School] kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter heeft zich daarbij gebaseerd op hetgeen appellant en [School] bij het sluiten van de overeenkomsten hebben beoogd en de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomsten uitvoering hebben gegeven.

1.9.

Het Uwv heeft appellant uitgenodigd voor een medisch onderzoek door een verzekeringsarts. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Vervolgens heeft [naam] , [functie] bij het Uwv, de gemachtigde van appellant per e-mail van 16 januari 2015 bericht: “De [appellant] wordt niet arbeidsongeschikt geacht, hetgeen betekent dat hij recht heeft op een WW-uitkering. Ik vraag de afdeling WW om met spoed de uitkeringsgegevens vast te stellen en alvast een voorschot te betalen”.

1.10.

Bij brief van 27 januari 2015, met als onderwerp ‘voornemen wijziging besluit’ heeft [naam] namens het Uwv de gemachtigde van appellant meegedeeld dat de werkzaamheden die appellant heeft verricht voor [School] beschouwd moeten worden als verzekeringsplichtige arbeid, dat appellant met ingang van 1 februari 2013 recht heeft op WW-uitkering maar dat de WW-uitkering op grond van het bepaalde in artikel 35 van de WW niet tot uitbetaling kan komen, omdat appellant pas op 12 mei 2014 zijn aanvraag om
WW-uitkering heeft ingediend.

1.11.

Bij besluit van 2 februari 2015 heeft het Uwv, naar aanleiding van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts, beslist dat appellant met ingang van 1 februari 2013 arbeidsgeschikt was en daarom geen ZW-uitkering ontvangt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.12.

Op 2 februari 2015 heeft [School] het Uwv bericht dat zij betrokken wil worden in de bezwaarprocedure van appellant. Bij brief van 19 februari 2015 heeft [School] een reactie gegeven op het bezwaar van appellant en tevens een aantal stukken overgelegd, waaronder de in 1.2 genoemde VAR van 25 oktober 2011, het vonnis van de kantonrechter van 2 december 2014 en de door appellant namens [eenmanszaak] bij [School] ingediende facturen.

1.13.

Bij e-mail van 23 februari 2015 heeft [naam] , namens het Uwv, de gemachtigde van appellant meegedeeld dat gelet op het vonnis van de kantonrechter ervan moet worden uitgegaan dat tussen appellant en [School] geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht maar van een overeenkomst van opdracht.

1.14.

Bij besluit van 10 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 mei 2014 en 23 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant bij [School] heeft gewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht en dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, zodat hij niet als werknemer verplicht verzekerd was voor de WW en de ZW.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar van rechtswege tegen het besluit van 2 februari 2015, het besluit van
2 februari 2015 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft tevens bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is appellant niet op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 3 van de WW en de ZW bij [School] werkzaam geweest. Daarom heeft het Uwv appellant terecht per 1 februari 2013 een WW- en een ZW-uitkering geweigerd, omdat hij niet verzekerd was voor deze wetten. De rechtbank heeft het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant er op grond van de e-mail van 16 januari 2015 en het voorgenomen besluit van 27 januari 2015 niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat het Uwv bij de beoordeling van zijn aanvragen zich op het standpunt zou blijven stellen dat sprake was van verzekeringsplichtige arbeid voor de WW en de ZW. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten onrechte geen besluit heeft genomen over het bezwaar van rechtswege tegen het besluit van 2 februari 2015. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 2 februari 2015 te herroepen, omdat appellant per 1 februari 2013 niet verplicht verzekerd is voor de ZW, zodat er geen grond is voor een besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellant per deze datum voor de ZW.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij bij [School] werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hij heeft daarbij benadrukt dat sprake was van een gezagsverhouding, omdat [School] bepaalde hoe hij zich als docent jegens zijn studenten diende te gedragen. Appellant diende te werken volgens het door [School] vastgestelde rooster, hij was verplicht om aanwezig te zijn bij docentenvergaderingen en hij was gehouden zijn doceertaken te verrichten. Er was feitelijk geen verschil in de wijze waarop appellant zijn werkzaamheden diende uit te voeren ten opzichte van zijn collega’s, die allen werkzaam waren krachtens arbeidsovereenkomst. Hij was ook ondergeschikt aan zijn leidinggevende, waarbij appellant heeft gewezen op het gespreksverslag van 14 januari 2013 met zijn leidinggevende naar aanleiding van klachten van grensoverschrijdend gedrag van appellant. Appellant heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY5207) over de verzekeringsplicht van docenten. Appellant heeft ook zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv hem in de e-mail van 16 januari 2015 en de brief van 27 januari 2015 een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat hij verzekerd was krachtens de WW en de ZW, temeer omdat deze toezeggingen zijn gedaan nadat appellant gemotiveerd was ingegaan op de besluiten van 16 mei 2014 en 23 juni 2014 en het voorgenomen besluit ook in lijn was met de uitdrukkelijke uitlatingen van de juriste van het Uwv dat eerst beoordeeld moest worden of hij verzekerd was en pas daarna een verzekeringsarts van het Uwv hem zou onderzoeken. Appellant kan zich ook niet verenigen met de herroeping van het besluit van
2 februari 2015 door de rechtbank. Volgens appellant kan ook als hij niet verzekerd is voor de ZW beoordeeld worden of hij per 1 februari 2015 arbeidsongeschikt was en heeft hij ook belang bij die medische beoordeling.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting van 17 mei 2017 heeft het Uwv betoogd dat appellant ook niet verzekerd was voor de WW en de ZW op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetten, zoals die bepalingen luidden ten tijde hier in geding.

3.3.

[School] heeft betoogd dat hij als partij dient te worden toegelaten in de onderhavige procedure en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Is [School] partij in dit geding?

4.1.

[School] heeft verzocht om als partij aan het geding deel te nemen. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve of op verzoek belanghebbenden in de gelegenheid stellen om als partij aan het geding deel te nemen.

4.2.

Artikel 126 van de WW luidt sinds 1 oktober 2006 als volgt:

“In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het Uwv over het verzekerd zijn op grond van deze wet als bedoeld in artikel 127a, eerste lid.”

4.3.

In artikel 127a, eerste lid, van de WW is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van de WW door de werknemer uitsluitend bij het Uwv kan worden ingediend en dat het Uwv de beschikking over het verzekerd zijn binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag geeft.

4.4.

Artikel 126 van de WW is ingevoerd bij de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekering op 1 januari 2006. In het oorspronkelijke wetsvoorstel luidde de tekst van het huidige artikel 126 van de WW als volgt:

“In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor zover dat betrekking heeft op het verzekerd zijn op grond van deze wet.” (Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 2, blz. 5)

4.5.

In de memorie van toelichting is dit oorspronkelijke wetsvoorstel als volgt toegelicht:

“De werknemer die helderheid wil hebben over zijn status als verzekerde kan UWV een beschikking vragen. UWV geeft de gevraagde beschikking binnen 13 weken na de aanvraag af. Daarnaast zal UWV beoordelen of sprake is van verzekeringsplicht indien door de werknemer een aanvraag is gedaan om een uitkering. In dat geval maakt de beoordeling van de verzekeringsplicht onderdeel uit van de beschikking op de aanvraag om een uitkering. Tegen de beslissing van UWV inzake het verzekerd zijn staat uitsluitend voor de werknemer bezwaar en beroep open. Het maakt niet uit of de beslissing van UWV inzake het verzekerd zijn een zelfstandige beschikking is dan wel een onderdeel vormt van een beschikking op een verzoek om een uitkering. De voorgestelde bepaling regelt dat werkgever geen mogelijkheid heeft om bezwaar en beroep in te stellen tegen de verzekeringsplichtbeslissingen van UWV. De werkgever heeft immers via de fiscale weg de mogelijkheid om de verzekeringsplicht in bezwaar en beroep aan de orde te stellen.” (Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 3, blz 4-5)

4.6.

Bij nota van wijziging is de tekst van artikel 126c van de WW in het wetsvoorstel gewijzigd in de tekst zoals deze nu is neergelegd in artikel 126 van de WW (Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 8, blz. 2). Deze wijziging is als volgt toegelicht:

“De wijzigingen (...) beogen de uitzondering die voor de werkgever op het belanghebbendenbegrip is gemaakt in de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Ziekenfondswet, in overeenstemming te brengen met hetgeen daarvoor in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt voorgesteld. In het nieuwe artikel 86a WAO (...) is geregeld dat de werkgever geen belanghebbende is bij een door de werknemer gevraagde verzekeringsplichtbeslissing van UWV; daarmee blijft onverlet dat de werkgever wel belanghebbende kan zijn bij de beschikking van UWV op de aanvraag om een uitkering waarvan de beoordeling van de verzekeringsplicht deel uitmaakt. De aanvankelijk voorgestelde formulering van de artikelen 126c WW, 72a ZW en 80 ZFW sluit de werkgever echter voor die wetten ook in die gevallen uit van bezwaar en beroep. Dat is echter niet de bedoeling, aangezien – gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – de werkgever bij dergelijke besluiten wel belanghebbende kan zijn. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de overheidswerkgever op wie de door UWV toegekende WW-uitkeringen worden verhaald (...).” (Kamerstukken II 2003/04,

29 531, nr. 8, blz. 17)

4.7.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat een werkgever belanghebbende kan zijn bij een beschikking van het Uwv op een aanvraag om uitkering op grond van de WW en de ZW, waarvan de beoordeling van de verzekeringsplicht deel uitmaakt. De Raad komt in zoverre terug van zijn uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2047). Dit betekent dat [School] in haar hoedanigheid van gestelde werkgever en eigenrisicodrager belanghebbende is en daarom als partij in de procedure in hoger beroep wordt toegelaten.

Is appellant werknemer?

4.8.

Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of appellant werknemer is in de zin van artikel 3 van de WW en de ZW. Gelet op deze bepalingen, voor zover hier van belang, is vereist dat appellant tot [School] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan.

4.9.

Voor de vraag of appellant tot [School] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, is maatgevend of tussen hem en [School] sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011,
ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.10.

Artikel 7:610 van het BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Bepalende criteria zijn dus het verrichten van arbeid, het betalen van loon en het uitoefenen van gezag.

4.11.

De inhoud van de overeenkomsten laat geen andere conclusie toe dan dat appellant en [School] bij het sluiten van de overeenkomsten hebben beoogd een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Zij hebben de overeenkomsten betiteld als ‘overeenkomst van opdracht’ met als ondertitel ‘opdrachtnemer met verklaring arbeidsrelatie VAR-winst of VAR-dga’. In de overeenkomsten wordt appellant, die de overeenkomsten namens zijn eenmanszaak [eenmanszaak] is aangegaan, aangeduid als ‘opdrachtnemer’ en [School] als ‘opdrachtgever’. Appellant is gehouden om de werkzaamheden als goed opdrachtnemer uit te voeren. Appellant en [School] zijn een vergoeding per uur overeengekomen. Tevens is bepaald dat betaling daarvan alleen plaatsvindt na facturatie door appellant. Indien de werkzaamheden, om welke reden dan ook, niet zijn uitgevoerd vervallen de voor appellant aan die werkzaamheden gekoppelde vergoedingen en onkostenvergoedingen. Appellant is verantwoordelijk voor een correcte aangifte en afdracht van verschuldigde premies en belastingen over de gefactureerde vergoedingen en vrijwaart [School] van iedere aansprakelijkheid voor betaalverplichtingen van (loon)belasting, sociale lasten en pensioenpremies. De overeenkomst eindigt zonder dat voor dit eindigen enige opzegging is vereist.

4.12.

Ook de wijze waarop appellant en [School] uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst wijst er op dat appellant werkzaam is geweest op basis van een overeenkomst van opdracht. Appellant heeft zijn gewerkte uren, via zijn eenmanszaak [eenmanszaak] , gefactureerd bij [School] tegen het afgesproken uurtarief. Bovendien heeft appellant met betrekking tot de verrichte werkzaamheden [School] een afschrift van zijn VAR-wuo verstrekt.

4.13.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat in de feitelijke uitvoering sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [School] , omdat hij werkte volgens een door [School] vastgesteld lesrooster en verplicht was om aanwezig te zijn bij docentenvergaderingen. Uit artikel 7:402 van het BW volgt dat een opdrachtnemer gehouden is gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen over de uitvoering van de opdracht en aldus aan een zekere mate van gezag van de opdrachtgever is onderworpen. De door appellant genoemde elementen in de feitelijke uitvoering dienen te worden gezien als een nadere invulling van de instructiebevoegdheid van [School] in het kader van de overeenkomst van opdracht en niet als het uitoefenen van werkgeversgezag. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5207, slaagt niet, nu de feiten en omstandigheden in die zaak anders waren.

4.14.

Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat er feitelijk geen verschil was in de wijze waarop hij zijn werkzaamheden diende uit te voeren ten opzichte van zijn collega’s, die allen werkzaam waren krachtens arbeidsovereenkomst. Anders dan zijn collega’s die werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht ontving appellant een vergoeding per uur en vond betaling plaats na facturatie, was appellant verantwoordelijk voor een correcte afgifte van verschuldigde loonbelasting en premies en werd [School] door appellant gevrijwaard van iedere aansprakelijkheid voor betaalverplichtingen van (loon)belasting, sociale lasten en pensioenpremies. In verband hiermee ontving appellant ook een veel hogere vergoeding voor zijn werkzaamheden dan de docenten die bij [School] werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

4.15.

Hetgeen in 4.8 tot en met 4.14 is overwogen leidt tot de conclusie dat de overeenkomsten tussen appellant en [School] niet kwalificeren als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant tijdens zijn overeenkomsten met [School] geen werknemer is geweest in de zin van artikel 3 van de WW en de ZW.

4.16.

Het ter zitting van 17 mei 2017 door het Uwv ingenomen alternatieve standpunt, dat appellant geen werknemer is in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW en de ZW, zoals die bepalingen luidden ten tijde hier in geding, behoeft geen bespreking meer. Daarom kan in het midden worden gelaten of de werkzaamheden van appellant als [docent] bij [School] vallen binnen de reikwijdte van de door de Belastingdienst verstrekte VAR-wuo, waarin de werkzaamheden van appellant zijn omschreven als [werkzaamheden] .

Vertrouwensbeginsel

4.17.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.18.

Indien en voor zover de e-mail van 16 januari 2015 een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging bevat van het Uwv dat appellant in aanmerking wordt gebracht voor een WW-uitkering, dan kan die toezegging bij appellant niet de gerechtvaardigde verwachting hebben gewekt dat hij een WW-uitkering zou ontvangen. Appellant heeft, na het verzoek van het Uwv om toezending van ontbrekende gegevens voor zijn aanvraag, alleen de overeenkomsten van opdracht overgelegd en niet de facturen van zijn eenmanszaak aan [School] . Hij heeft het Uwv ook niet geïnformeerd over het vonnis van de kantonrechter van 2 december 2014, waarin de kantonrechter als voorlopig oordeel heeft gegeven dat de overeenkomst tussen appellant en [School] niet wordt beschouwd als een arbeidsovereenkomst. Appellant heeft het Uwv evenmin een kopie van de VAR-wuo toegezonden. Appellant heeft moeten begrijpen dat de mededelingen van het Uwv in de
e-mail van 16 januari 2015 mogelijk onjuist waren, omdat deze mededelingen zijn gedaan zonder dat het Uwv de beschikking had over een aantal essentiële gegevens voor de beoordeling van zijn aanspraken op WW.

4.19.

De brief van 27 januari 2015 bevat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat appellant een WW-uitkering zal ontvangen. Deze brief heeft als onderwerp ‘voornemen wijziging besluit’ en vermeldt dat het Uwv ‘van plan’ is om de oorspronkelijke beslissing te herzien, waarbij de werkzaamheden die appellant heeft verricht voor [School] wel worden beschouwd als verzekeringsplichtige arbeid en hij recht heeft op WW-uitkering. Die brief bevat geen definitieve standpuntbepaling ten aanzien van het recht op WW-uitkering. Bovendien heeft het Uwv in die brief uitdrukkelijk vermeld dat het recht op WW-uitkering niet tot uitbetaling kan komen omdat appellant pas op 12 mei 2014 zijn aanvraag om WW-uitkering heeft ingediend.

4.20.

Hetgeen in 4.17 tot en met 4.19 is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Besluit van 2 december 2015

4.21.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank het besluit van
2 februari 2015 niet heeft mogen herroepen. De rechtbank heeft terecht aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 2 februari 2015 herroepen, omdat appellant per
1 februari 2013 niet verplicht verzekerd is geweest voor de ZW, zodat er geen grond was voor een besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellant per deze datum voor de ZW.

Conclusie

4.22.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) N. Veenstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

AB