Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
15/7404 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte beslist dat de WW-uitkering van appellante van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 niet tot uitbetaling komt. Het Uwv heeft appellante ten onrechte een maatregel opgelegd. Aanvraag te laat ingediend. Bijzonder geval. Geenszins is uit te sluiten dat de onttakelde toestand van het Uwv-kantoor de reden is geweest dat van appellantes bezoek geen aantekening is gemaakt. Mede doordat het Uwv geen nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie op het kantoor in de bewuste periode wordt appellante gevolgd in haar standpunt dat zij ten gevolge van onjuiste informatie van het Uwv haar WW-aanvraag te laat heeft ingediend.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0238
USZ 2017/413

Uitspraak

15/7404 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 september 2015, 15/1205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2017. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, nadat zij met ingang van 1 februari 2013 werkloos was geworden, een op 14 februari 2013 gedateerde aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend bij het Uwv. Deze uitkering is haar bij besluit van 25 februari 2013 ontzegd, omdat appellante niet voldeed aan de eis dat zij in de 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid niet in ten minste 26 kalenderweken had gewerkt.

1.2.

Appellante heeft van 1 maart 2013 tot 1 juli 2013 gewerkt in dienst van [naam werkgever] (werkgever). Zij heeft ter zake van deze werkloosheid pas op 16 september 2014 bij het Uwv een aanvraag ingediend om een WW-uitkering. Bij besluit van 25 september 2014 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een

WW-uitkering met ingang van 1 juli 2013. Het Uwv heeft daarbij bepaald dat de uitkering van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 niet tot uitbetaling komt omdat die periode te ver in het verleden ligt. Daarnaast is de WW-uitkering met ingang van 2 juli 2013 gedurende vier maanden verlaagd met 30%, omdat appellante de aanvraag te laat heeft ingediend en zich te laat bij het Uwv heeft laten inschrijven als werkzoekende. Bij beslissing op bezwaar van

19 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2014 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een bijzonder geval om af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 35 van de WW en dat daarom op juiste gronden is besloten dat de WW-uitkering over de periode van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 niet meer te gelde gemaakt kan worden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerder ingenomen standpunt herhaald. Dat komt erop neer, dat zij voor het aanvragen van een WW-uitkering kort voor of op 5 juli 2013 naar het op dat moment in verband met een verhuizing onttakelde Uwv-kantoor in [plaatsnaam] is gegaan en toen de achteraf onjuist gebleken informatie heeft gehad dat het indienen van een WW-aanvraag geen zin had, omdat zij niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering, aangezien zij geen 26 weken had gewerkt. Appellante heeft op basis van die informatie afgezien van een WW-aanvraag en heeft vervolgens bij de in hetzelfde gebouw gevestigde afdeling Sociale Zaken van de gemeente [naam gemeente] geïnformeerd of zij in aanmerking kon komen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Ook dat bleek niet het geval, omdat appellante een spaartegoed had dat de toegestane grens van € 5.000,- overschreed. Appellante heeft vervolgens haar spaargeld aangewend voor haar levensonderhoud en is, toen dit de toegestane grens benaderde, opnieuw naar de gemeente [naam gemeente] gegaan voor het aanvragen van een WWB-uitkering. Bij die gelegenheid is appellante erop gewezen dat zij aanspraak op WW had, waarna zij de WW-aanvraag alsnog heeft ingediend. Appellante meent dat deze omstandigheden een bijzonder geval opleveren.

3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat de gang van zaken is geweest zoals door haar geschetst en heeft daarom bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verplicht binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het Uwv een aanvraag om een uitkering in te dienen.

4.1.2.

In artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW is bepaald, voor zover van belang, dat de werknemer verplicht is om zich als werkzoekende bij het Uwv te laten registreren.

4.1.3.

Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 26 van de WW. In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten zijn nadere regels gesteld met betrekking tot artikel 27, derde lid, van de WW.

4.1.4.

In artikel 27, zesde lid, van de WW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.5.

Artikel 35 van de WW bepaalt, dat de uitkering niet wordt betaald over perioden voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.

4.2.

Nu vaststaat dat appellante haar WW-aanvraag ruim een jaar na het intreden van haar werkloosheid heeft ingediend zal allereerst worden beoordeeld of de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 35 van de WW.

4.2.1.

Vooropgesteld wordt dat het Uwv niet beschikt over een aantekening van een bezoek van appellante aan het Uwv-kantoor te [plaatsnaam] begin juli 2013. Ook appellante heeft daarvan geen stukken. Het Uwv heeft gepoogd na te gaan met wie appellante gesproken zou kunnen hebben, maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Dit betekent niet zonder meer dat de lezing die appellante heeft gegeven niet kan worden aanvaard en dat om die reden een bijzonder geval niet aanwezig is.

4.2.2.

Van belang is, dat appellante van meet af aan consistent heeft verklaard over de gang van zaken bij haar bezoek aan het Uwv-kantoor begin juli 2013, zoals weergegeven in 3.1. Verder staat vast dat appellante haar spaargeld heeft gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien in de periode tussen het ontstaan van haar werkloosheid en de indiening van haar WW-aanvraag. Dit ondersteunt het standpunt van appellante dat haar van de zijde van het Uwv te kennen is gegeven dat zij niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. Niet goed denkbaar is immers dat appellante uit eigen beweging haar spaargeld tot op de voor de WWB geldende grens zou hebben opgemaakt voordat zij een WW-aanvraag indiende. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat appellante in het verleden in het geval van werkloosheid steeds tijdig WW-uitkeringen heeft aangevraagd, wat erop wijst dat zij op de hoogte was van de te ondernemen stappen.

4.2.3.

Appellante heeft ook uiteengezet dat het Uwv-kantoor waar zij begin juli 2013 is geweest, en dat zij kende van eerdere WW-aanvragen, op dat moment een verlaten en onttakelde indruk maakte in verband met een aanstaande verhuizing. Er brandde geen licht, aldus appellante, er waren geen computers en er was slechts één persoon aanwezig, met wie zij heeft gesproken. Die persoon zat achterin aan een bureau, op dezelfde plek als waar zij eerder was geweest voor het aanvragen van een WW-uitkering. Appellante heeft met het overleggen van een publicatie uit het [naam krant] van [datum] 2013 aangetoond dat de locatie op [locatie] te [plaatsnaam] op [datum] 2013 zou worden leeggehaald. Hiermee heeft appellante ook voor dit deel van haar lezing van de gang van zaken ondersteunend bewijs geleverd. Het Uwv heeft geen poging gedaan te achterhalen hoe de situatie op de bewuste werkplek was in de eerste week van juli 2013. De lezing van appellante is door het Uwv niet weersproken. Daarvan uitgaande is geenszins uit te sluiten dat de onttakelde toestand van het kantoor de reden is geweest dat van appellantes bezoek geen aantekening is gemaakt.

4.2.4.

Op grond van wat is overwogen in 4.2.2 en 4.2.3 wordt geoordeeld dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede volzin, van de WW. Mede doordat het Uwv geen nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie op het kantoor in de bewuste periode wordt appellante gevolgd in haar standpunt dat zij ten gevolge van onjuiste informatie van het Uwv haar WW-aanvraag te laat heeft ingediend. Dit betekent tevens, dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van het te laat indienen van haar WW-aanvraag, noch van de te late inschrijving als werkzoekende.

4.2.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Uwv ten onrechte heeft beslist dat de WW-uitkering van appellante van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 niet tot uitbetaling komt, dat het Uwv appellante ten onrechte een maatregel heeft opgelegd en dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.3.

De Raad zal onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorzien en bepalen dat de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 alsnog ongekort wordt uitbetaald.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 990,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 25 september 2014 voorzover daarbij is beslist dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald van 1 juli 2013 tot en met 17 januari 2014;

  • -

    bepaalt dat het Uwv de WW-uitkering van 1 juli 2013 tot en met 17 maart 2014 ongekort uitbetaalt;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 januari 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) G.J. van Gendt

GdJ