Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
16/6972 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stellen aanvraag om bijstand. Gegevens niet tijdig verstrekt. Aan in hoger beroep overgelegde bankafschriften komt in beginsel geen betekenis toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6972 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 september 2016, 15/1963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. Blanksma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot en met 23 oktober 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In 2014 heeft appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 22 september 2014 buiten behandeling gesteld. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2.

Op 15 oktober 2014 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Bij brieven van 28 oktober 2014 en 5 november 2014 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 5 onderscheidenlijk 13 november 2014 en hem gevraagd de in de brieven genoemde gegevens te verstrekken. Op 13 november 2014 heeft appellant enkele gegevens overgelegd. Bij brief van laatstgenoemde datum heeft het college appellant gevraagd aanvullende gegevens en bewijsstukken te verstrekken, waaronder bankafschriften van rekeningen bij de ING en de ABN AMRO. Omdat appellant niet alle gegevens had verstrekt, heeft het college hem bij brief van 24 november 2014 nogmaals om de op 13 november 2014 gevraagde gegevens verzocht. Op 1 december 2014 heeft appellant schriftelijk een met redenen omkleed uitstel voor het aanleveren van de gegevens ingezonden. Bij brief van

2 december 2014 heeft het college het gevraagde uitstel verleend en te kennen gegeven dat appellant tot en met 9 december 2014 een laatste mogelijkheid krijgt om de gevraagde gegevens aan te leveren. Het college heeft appellant erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gesteld.

1.3.

Bij besluit van 10 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.

1.4.

Bij besluiten van 9 april 2015 en 25 juni 2015 heeft het college latere aanvragen om bijstand opnieuw buiten behandeling gesteld. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte vaststaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de volgende gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college kon in redelijkheid geen gebruik maken van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling nu de door appellant wel verstrekte gegevens reeds voldoende waren voor het vaststellen van het recht op bijstand. Een vrouwelijke contactpersoon binnen de gemeente Sittard-Geleen heeft samen met appellant ingelogd op de ING-rekening van appellant en gezegd dat zij aan deze gegevens genoeg had. Overlegging van de bankafschriften van de ABN AMRO-rekening was niet mogelijk wegens een blokkering van die rekening per 3 februari 2014.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. Voor de beoordeling of appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. Appellant is daarom gehouden de voor een goede beoordeling van zijn aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Daartoe behoren volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1258) alle afschriften van de bankrekeningen van appellant. Het feit dat na eind oktober 2013, behalve een op 14 mei 2014 via Unique Personalservice GmbH ontvangen bedrag van € 128,11 geen inkomsten van appellant bekend zijn, rechtvaardigt voorts het gegeven dat het college over een langere periode dan drie maanden voor de aanvraag bankafschriften heeft gevraagd.

4.3.

Appellant heeft nagelaten tijdig de bankafschriften van de ABN AMRO-rekening over de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 november 2014, dan wel een bewijs van opheffing van deze rekening over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat de hem gegeven hersteltermijnen onredelijk kort waren. Het had op de weg van appellant gelegen, zoals hij ook op 1 december 2014 had gedaan, het college binnen de gegeven hersteltermijn gemotiveerd om nader uitstel te vragen indien hij meer tijd nodig had voor het verkrijgen van de gevraagde gegevens dan wel het college, voorzien van bewijsstukken, ervan in kennis te stellen dat het niet mogelijk was om afschriften van deze rekening te verkrijgen. Dit heeft appellant nagelaten.

4.4.

De beroepsgrond dat de verstrekte gegevens voldoende waren om het recht op bijstand te kunnen vaststellen en het college daarom niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen, slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het geen volledig inzicht in de mutaties op de bankrekeningen van appellant heeft kunnen krijgen, omdat appellant niet alle bankafschriften had overgelegd. Omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de beoordeling van de financiële situatie en de woon- en leefsituatie van appellant, kon het college, bij het ontbreken van die gegevens, het recht op bijstand niet vaststellen. De stelling dat een vrouwelijke contactpersoon binnen de gemeente Sittard-Geleen zou hebben gezegd dat de reeds overgelegde bankgegevens toereikend waren slaagt niet, reeds omdat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep de gevraagde bankafschriften alsnog verstrekt. Aard en inhoud van het besluit dat strekt tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bijstand, brengen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB5267) mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Appellant is daarin niet geslaagd. Ook ingeval van blokkade van een bankrekening behoudt de rekeninghouder in beginsel het recht op inzage van zijn afschriften. Uit de stukken blijkt bovendien niet dat appellant binnen de gegeven hersteltermijnen heeft getracht de bankafschriften te verkrijgen. Eerst op 15 november 2016, in de fase van het hoger beroep, blijkt van een eerste poging om de desbetreffende bankafschriften op te vragen.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.M. Pasmans

HD