Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
16/6816 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag bijstand. Woonsituatie, De onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat betrokkene niet woonde op opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6816 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 september 2016, 16/2919 (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Namens appellante is mr. Gloudi verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Van 30 juli 2014 tot en met 8 mei 2015 ontving appellante bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft met ingang van 9 mei 2015 de bijstand beëindigd, omdat appellante een gezamenlijke huishouding voerde en daarvan bij het college geen melding had gemaakt. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 27 oktober 2015 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij met haar drie kinderen woont op het adres

[adres] (opgegeven adres). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een handhavingsmedewerker van de afdeling Werk Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker waarnemingen verricht en samen met een inkomensconsulent een buurtonderzoek gehouden bij het opgegeven adres. Op

29 december 2015 hebben de handhavingsmedewerker en de inkomensconsulent met appellante een gesprek gevoerd, waarna zij aansluitend een huisbezoek op het opgegeven adres hebben afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 december 2015.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 26 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 mei 2016 (bestreden besluit), de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres heeft en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij heeft de inlichtingenverplichting niet geschonden, omdat zij wel haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Dat in haar woning weinig meubels stonden kwam doordat zij over onvoldoende middelen beschikte om de woning deugdelijk en naar wens in te richten. Uit de in bezwaar overgelegde verklaring van haar buurman van 19 maart 2016 kan worden afgeleid dat zij haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze buurman niet kan worden gehouden aan zijn eerder tegenover de medewerkers van de gemeente Lelystad afgelegde verklaring. Uit de verklaring blijkt namelijk dat de buurman tot een ander inzicht is gekomen, omdat hij appellante beter heeft leren kennen en meer over haar situatie is gaan nadenken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 27 oktober 2015 tot en met 26 januari 2016.

4.2.

Het college heeft de beoordeling van de aanvraag, gelet op 1.1, niet beperkt tot het antwoord op de vraag of appellante heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij over de te beoordelen periode wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand, maar de aanvraag ten volle beoordeeld en op inhoudelijke gronden afgewezen. In navolging van de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365, zal de Raad de afwijzing eveneens inhoudelijk beoordelen en toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.

4.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de onderzoeksresultaten, zoals neergelegd in het rapport van 30 december 2015, voldoende grondslag vormen voor de conclusie van het college dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Daarbij komt met name betekenis toe aan de tijdens het huisbezoek aangetroffen feitelijke situatie en de verklaringen van buurtbewoners van het opgegeven adres. Uit het verslag van het huisbezoek van 29 december 2015 blijkt dat de woning op het opgegeven adres ongestoffeerd en vrijwel ongemeubileerd was. Zo zijn in de slaapkamers van de woning alleen een aantal matrassen, kussens, dekens en wat dozen met kleding aangetroffen. In de woonkamer stonden geen bank, tafel of stoelen en evenmin is speelgoed, administratie, post of vuile was aangetroffen. Verder was in de keuken geen fornuis, elektrische kookplaat of magnetron aanwezig en was er nauwelijks proviand. In wat appellante als verklaring voor de afwezigheid van meubilair heeft aangevoerd, zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de woning op het opgegeven adres dermate summier was ingericht dat niet aannemelijk is dat appellante daar met drie jonge kinderen, waaronder een baby, in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had. Uit het rapport van 30 december 2015 blijkt voorts dat drie omwonenden van het opgegeven adres op 29 december 2015 hebben verklaard dat op het opgegeven adres vrijwel nooit iemand aanwezig is. De omstandigheid dat een buurman in de in bezwaar overgelegde nadere verklaring van 19 maart 2016 stelt dat appellante wel op het opgegeven adres woont, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Nog daargelaten dat uit die verklaring niet blijkt of die verklaring tevens ziet op de te beoordelen periode, is hierin geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan de buurman niet kan worden gehouden aan wat hij eerder heeft verklaard. Zijn standpunt over het hoofdverblijf van appellante heeft de buurman niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Het beroep van appellante op verschillende uitspraken van de Raad slaagt niet, reeds omdat in die zaken niet met de onderhavige zaak vergelijkbare gevallen aan de orde waren.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te melden dat zij in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor schadevergoeding geen grond, zodat het verzoek om veroordeling daartoe dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.M. Pasmans

HD