Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
15/4520 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om appellante te indiceren voor persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging terecht afgewezen omdat voor de beperkingen van appellante voorliggende behandeling op grond van de Zvw aangewezen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4520 AWBZ

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

23 juni 2015, 14/4975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

CIZ heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Namens appellante is verschenen haar moeder [naam moeder] , bijgestaan door mr. Driessen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kersjes‑van Bussel.

Het onderzoek ter zitting is geschorst en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

De Raad heeft op 12 en 31 augustus 2016 vragen gesteld aan CIZ. CIZ heeft bij brieven van 18 augustus 2016 en 8 september 2016 gereageerd. Bij brief van 21 november 2016 heeft appellante hierop gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Namens appellante is verschenen haar moeder, bijgestaan door mr. Driessen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Henneveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 12 november 2013 heeft appellante een aanvraag gedaan om zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellante heeft op het aanvraagformulier aangegeven dat zij lijdt aan de ziekte van Lyme, aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en aan verschillende infectieziekten. Zij wil in aanmerking komen voor de functies persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding.

1.2.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft CIZ appellante geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 2, voor de periode van 19 december 2013 tot en met 18 december 2014. CIZ heeft een indicatie voor de overige aangevraagde functies afgewezen.

1.3.

In bezwaar heeft de medisch adviseur van CIZ, L. Vermeulen, op 11 juni 2014 een medisch advies uitgebracht. De adviseur concludeert dat appellante sinds enkele jaren bekend is met een onduidelijk beeld van lichamelijke en psychische klachten. Appellante is in behandeling bij dr. C. Nicolaus in een privékliniek in Augsburg, Duitsland. Appellante ontvangt op voorschrift van dr. Nicolaus een aantal antibioticakuren in verband met een door hem gestelde diagnose ziekte van Lyme. Volgens de medisch adviseur zijn de door dr. Nicolaus gestelde diagnose en de door hem ingezette behandeling onvoldoende onderbouwd volgens de geldende Nederlandse richtlijnen en standaarden. Een grondslag somatiek kan daarom niet worden gesteld. De (voormalig) behandelend psychiater van appellante, P.J. van Roest, heeft vastgesteld dat appellante lijdt aan een somatoforme stoornis. Daarom is de grondslag psychiatrie aan de orde. Appellante kan volgens psychiater Van Roest hiervoor een specialistisch traject volgen in een kliniek voor conversiestoornissen. Deze behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg. Omdat de lichamelijke klachten van appellante moeilijk verklaarbaar zijn, acht de adviseur hiervoor een diagnostisch traject volgens Nederlandse richtlijnen aangewezen. Ook deze behandeling is voorliggend op AWBZ-zorg.

1.4.

Bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft CIZ onder verwijzing naar het medisch advies van 11 juni 2014 het bezwaar ongegrond verklaard. CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling op grond van de Zvw voorliggend is, zodat appellante niet in aanmerking komt voor AWBZ-zorg. CIZ heeft de eerdere indicatie voor persoonlijke verzorging per 27 augustus 2014 beëindigd.

2.1.

Naar aanleiding van een in beroep door appellante overgelegde brief van dr. Nicolaus van 24 juni 2014 heeft de medisch adviseur van CIZ, E. Sen, op 27 november 2014 een aanvullend medisch advies uitgebracht. Hij concludeert dat de informatie van dr. Nicolaus niet tot nieuwe inzichten leidt, omdat de informatie grotendeels bekend was en in het medisch advies van 11 juni 2014 is betrokken. Nadere diagnostiek of behandeling heeft nog niet plaatsgevonden en blijft voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg.

2.2.

Naar aanleiding van een in beroep door appellante overgelegd rapport van Scio Consult van 1 juli 2014 heeft de medisch adviseur van CIZ, L. Cornelissen-Houben, op 23 april 2015 een aanvullend medisch advies uitgebracht. Zij concludeert dat er geen medische reden is om de eerdere adviezen te wijzigen.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover nog van belang, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. In de aan CIZ uitgebrachte medische adviezen is voldoende duidelijk gemotiveerd waarom de resultaten van het door dr. Nicolaus verrichte onderzoek niet worden gevolgd. Verder geldt dat ook indien een somatische grondslag aangenomen had moeten worden, behandeling voorliggend is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza), voor zover van belang, heeft de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw, aanspraak op persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding als omschreven in artikel 4, 5 en 6 van het Bza.

4.2.

De vraag die voorligt is of CIZ de aanvraag om appellante te indiceren voor persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging terecht heeft afgewezen op de grond dat voor de beperkingen van appellante voorliggende behandeling op grond van de Zvw aangewezen is.

4.3.

In het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch advies van 11 juni 2014 is vermeld dat appellante een specialistische traject in een kliniek voor conversiestoornissen kan volgen in verband met haar psychische aandoening. Verder acht medisch adviseur Vermeulen een diagnostisch traject volgens Nederlandse richtlijnen aangewezen naar de moeilijk verklaarbare lichamelijke klachten van appellante. Dit standpunt wordt onderschreven door de medisch adviseurs Sen en Cornelissen-Houben in aanvullende adviezen van

27 november 2014 en 23 april 2015. In dit laatste advies is met betrekking tot een dergelijk traject vermeld dat bij de diagnostiek en behandeling van patiënten met de ziekte van Lyme geldt dat patiënten naar klachten en symptomen worden verdeeld in groepen met elk een afgesteld plan van aanpak. Een multidisciplinaire benadering en integrale behandeling staan centraal. Kernadvies bij niet kenmerkende en langdurige klachten, zoals in de situatie van appellante, is een integrale benadering met aandacht voor lichamelijke, psychische en sociale factoren.

4.4.

CIZ heeft ter nadere zitting van de Raad toegelicht dat een multidisciplinaire en integrale behandeling van lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van de ziekte van Lyme voorliggend is op AWBZ-zorg. Dit geldt ook indien voor de ziekte van Lyme geen somatische grondslag kan worden vastgesteld, maar wel sprake is van moeilijk verklaarbare klachten waarvoor behandeling nodig is, zoals in het geval van appellante.

4.5.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de door adviseur Cornelissen-Houben beschreven multidisciplinaire en integrale behandeling voor haar klachten niet zou kunnen volgen. Dit geldt ook voor het specialistische traject in een behandelkliniek voor conversiestoornissen. Het standpunt van appellante dat de artsen in Nederland niets voor haar hebben kunnen betekenen en dat zij daarom is uitgeweken naar dr. Nicolaus in Augsburg, heeft appellante niet onderbouwd. Dat appellante stelt het vertrouwen in de Nederlandse artsen te zijn kwijtgeraakt, is hiervoor onvoldoende. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat behandeling niet voorliggend is te achten in het geval van appellante.

4.6.

Het standpunt van appellante dat CIZ bij het bestreden besluit de indicatie voor persoonlijke verzorging in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft beëindigd, wordt niet gevolgd. In zijn uitspraak van 27 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2559) heeft de Raad overwogen dat het beginsel van rechtszekerheid bij een herbeoordeling die leidt tot het naar beneden bijstellen van een lopende indicatie, qua omvang of duur, meebrengt dat een overgangsperiode wordt geboden die belanghebbende in staat stelt zich op deze bijstelling in te stellen. CIZ heeft in het bestreden besluit een overgangsperiode van zes weken gehanteerd om appellante de mogelijkheid te geven om in te spelen op de gewijzigde aanspraak. Deze overgangstermijn is in lijn met de vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3887).

4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) R.H. Budde

TM