Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
16/323 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Commerciële huurovereenkomst niet aangetoond met verifieerbare gegevens. Niet relevant of medebewoners de kosten feitelijk delen of elk van hen bijdraagt in de kosten. Gegeven uit Brp in dit geval niet doorslaggevend. Ten onrechte niet onderzocht of medebewoner het adres slechts als postadres gebruikte en er niet feitelijk woonde.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/294
RSV 2017/247
ABkort 2017/330
USZ 2017/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/323 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 december 2015, 15/4919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant woont op het adres [adres] te [woonplaats] (adres). Volgens de basisregistratie personen (brp) staan naast appellant op dit adres ook ingeschreven [naam K] (K), [naam SB] (SB) en [naam MB] (MB).

1.2.

Bij besluit van 2 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van de in artikel 22a, eerste lid, van de PW opgenomen kostendelersnorm de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot een bedrag van € 549,05, zijnde 40% van het wettelijk minimumloon. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op het adres vier personen wonen, te weten appellant, K, SB en MB. Al deze personen tellen mee voor de bepaling van de kostendelersnorm. Tussen K en appellant bestaat geen commerciële huurovereenkomst. Het is niet van belang dat SB geen inkomsten heeft en niet bijdraagt aan de woonkosten. Ten aanzien van MB is de inschrijving in het brp in beginsel leidend en daarom neemt het college aan dat MB op het adres woont.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de kostendelersnorm ingevoerd. In deze zaak is de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016 van toepassing. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt, behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

4.3.

Appellant voert aan dat K ten onrechte is meegeteld voor de kostendelersnorm omdat sprake is van een commerciële huurovereenkomst tussen hem en K. In beroep heeft appellant een schriftelijke huurovereenkomst overgelegd van 21 augustus 2015. In deze huurovereenkomst is opgenomen dat appellant als onderhuurder een kamer huurt op het adres met ingang van juni 2012. De huurprijs bedraagt € 175,- per maand en moet uiterlijk op iedere 1e van de maand bij vooruitbetaling worden voldaan door storting hiervan op de bankrekening van K.

4.3.1.

Het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 22a van de PW luidde tot 1 januari 2016 als volgt:

“Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:

b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.”

In het vijfde lid is bepaald dat de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.

4.3.2.

Op vragen over deze uitzondering van de diverse fracties over de mogelijkheid tot fraude bij commerciële relaties (Kamerstukken II, 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 13-14) heeft de wetgever in de nota naar aanleiding van het verslag als volgt gereageerd:

“De regering is niet bang dat uitzondering van de commerciële relatie fraude in de hand werkt. Ook nu moet de bijstandsgerechtigde, in het kader van de vraag of de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert met een ander, als hij stelt dat sprake is van een commerciële relatie, zoals bij onderhuurderschap of kostgangerschap, dit bewijzen. Daaraan zijn duidelijke voorwaarden verbonden. (…) Tevens moeten de overeenkomst en de commerciële prijs aan de hand van schriftelijke stukken worden aangetoond en moeten betalingsbewijzen van de belanghebbende kunnen worden overlegd. Een en ander is nu in de wet vastgelegd.”

In vergelijkbare zin heeft de regering zich nadien tijdens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling uitgelaten (Kamerstukken I, 2013/14, 33 801,

nr. C, blz. 12).

4.3.3.

Gelet op artikel 22a, vijfde lid, van de PW en de wetsgeschiedenis van artikel 22a van de PW is voor de toepassing van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW van belang dat de schriftelijke (huur)overeenkomst en betaalbewijzen van de huurbetalingen worden overgelegd. Daargelaten dat de schriftelijke huurovereenkomst dateert van een datum na 1 juli 2015 en niet eerder dan in beroep is overgelegd, heeft appellant niet met verifieerbare gegevens, zoals bankoverschrijvingen, aannemelijk gemaakt dat huurbetalingen hebben plaatsgevonden. De stelling van appellant dat de huurbetalingen vaak contant hebben plaatsgevonden en dat hem de huur niet is opgezegd, maakt dat niet anders. Het college heeft K daarom terecht meegeteld voor de toepassing van de kostendelersnorm.

4.3.4.

Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat SB ten onrechte is meegeteld voor de kostendelersnorm omdat zij voor zover appellant weet geen inkomen heeft. Deze grond faalt. Bij toepassing van de kostendelersnorm is niet relevant of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Het college heeft ook SB daarom terecht meegeteld voor de toepassing van de kostendelersnorm.

4.3.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat MB het adres alleen als postadres gebruikt en daarom ten onrechte is meegeteld voor de kostendelersnorm. Deze beroepsgrond slaagt. Het besluit tot toepassing van de kostendelersnorm is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de kostendelersnorm is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. In dit geval heeft het college voorafgaand aan het besluit van 2 juni 2015 op basis van de brp vastgesteld dat op het adres vier personen woonachtig zijn. Het college heeft de gegevens uit de brp over deze personen aan appellant ter controle voorgelegd en appellant in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken dat en waarom deze gegevens niet juist zijn Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. In bezwaar heeft appellant alsnog gesteld dat MB het adres alleen als postadres gebruikt, daar feitelijk niet woont en dat de gegevens in de brp niet van doorslaggevende betekenis zijn. Gelet op de volledige heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), had het college naar aanleiding van deze stelling nader onderzoek moeten doen naar het feitelijk verblijf van MB op het adres.

4.4.

Vaststaat dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke (feitelijke) grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2

en 7:12, eerste lid, van de Awb. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

4.5.

Het is niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daartoe is onvoldoende informatie voorhanden. De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus en zal het college opdracht geven om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2015 te nemen.

4.6.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 495,- in beroep en € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 juli 2015;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de

Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD