Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
15/1503 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant had op 4 juni 2012 kunnen weten dat hij te veel TW-uitkering ontving en hier geen recht op had. Pas in november 2012 is het beheer van financiën overgedragen aan de Stadsbank. Hieruit vloeit voort dat het Uwv verplicht was om de toeslag in te trekken. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1503 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

20 januari 2015, 14/2939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016. Namens appellant is mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee het onderzoek is heropend. Bij brief van

9 januari 2017 heeft de Raad het Uwv nadere vragen gesteld.

In reactie daarop heeft het Uwv de brief van 19 april 2017 ingediend. Hierop heeft mr. Kaya bij brief van 22 mei 2017 gereageerd.

Met toestemming van partijen is bepaald dat verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het Uwv appellant bericht dat van hem een bedrag van
€ 4.108,86 wordt teruggevorderd aan ten onrechte tot een te hoog bedrag betaalde toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) in de periode van 4 juni 2012 tot en met 22 september 2013. Bij besluit van 15 april 2014 heeft het Uwv aan appellant een invorderingsbesluit gezonden, in verband met het terug te vorderen bedrag van € 4.108,86. Appellant heeft tegen voorgenoemde besluiten bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij het bestreden besluit van 14 oktober 2014 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 april 2014 en van 15 april 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant over de periode van 4 juni 2012 tot en met 22 september 2013 een te hoge TW-uitkering heeft ontvangen. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat appellant een moeilijke tijd heeft doorgemaakt na het overlijden van zijn echtgenote op

5 juni 2012, is de rechtbank van oordeel dat appellant redelijkerwijs kon begrijpen dat het al dan niet hebben van een partner van invloed is op de hoogte van de uitkering en dat hij het verlies van zijn echtgenote direct had moeten melden bij het Uwv. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het de rechtbank niet gebleken dat appellant het overlijden van zijn echtgenote eerder heeft doorgegeven dan in juli 2013. Appellant heeft dan ook zijn inlichtingenplicht geschonden.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. In de nadere reactie van 22 mei 2017 heeft appellant er opnieuw op gewezen dat zijn financiële zaken destijds door de Stadsbank werden geregeld en hij slechts zakgeld ontving, waardoor hij geen zicht had op aan hem overgemaakte bedragen. Er is dan ook naar zijn mening geen sprake van verwijtbaarheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, onder b, van de TW, wordt de toeslag herzien of ingetrokken indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Appellant betwist niet dat hij vanaf 4 juni 2012 een te hoge TW-uitkering heeft ontvangen, maar voert aan dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij te veel geld ontving. Met verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank oordeelt de Raad dat appellant op 4 juni 2012 had kunnen weten dat hij te veel TW-uitkering ontving en hier geen recht op had nu het Uwv heeft vastgesteld dat eerst in november 2012 het beheer van zijn financiën is overgedragen aan de Stadsbank. Hieruit vloeit voort dat het Uwv verplicht was om de toeslag op grond van artikel 11a van de TW over de periode van 4 juni 2012 tot en met 22 september 2013 in te trekken.

4.2.

In de door appellant aangevoerde omstandigheid, betrekking hebbend op zijn financiële omstandigheden, ziet de Raad geen dringende redenen in zin van artikel 20, vierde lid, van de TW. Deze redenen kunnen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellant heeft geen gegevens ingebracht waardoor dit aannemelijk wordt gemaakt.

5. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) G.J. van Gendt

AB