Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
16/5931 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichtingen artikel 2.6.9 van de Rsa. Verantwoording besteding pgb is eigen verantwoordelijkheid van verzekerde. De stelling van appellant dat sprake is van een verschrijving in de zorgovereenkomst vindt geen steun in bijvoorbeeld declaratieformulieren of urenbriefjes. Appellant heeft niet volledig, eenduidig en op objectief verifieerbare wijze aangetoond hoe hij zijn pgb heeft besteed. Pgb lager vaststellen en onverschuldigd betaalde voorschotten terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/5931 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2016, 15/8025 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 27 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Ersoy, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2017. Appellant is vertegenwoordigd door mr. I. Atar, advocaat en kantoorgenoot van mr. Ersoy. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Cheung.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 13 december 2012 aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 43.324,55 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Appellant heeft op 11 juli 2013 en 27 januari 2014 verantwoordingsformulieren ingediend over de eerste en de tweede helft van het jaar 2013. Hieruit blijkt, voor zover hier van belang, dat een bedrag van € 8.944,71 respectievelijk € 9.249,52 is betaald voor zorg verleend door [naam zorgverlener a]

1.3.

Bij afzonderlijke brieven van 6 november 2014 heeft het Zorgkantoor, na een administratief vooronderzoek, de door appellant ingediende verantwoording van de besteding van het pgb over de eerste helft en de tweede helft van het jaar 2013 geheel afgekeurd.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen de onder 1.3 genoemde brieven gedeeltelijk gegrond verklaard. Hierbij heeft het Zorgkantoor, voor zover hier van belang, aannemelijk geacht dat appellant een bedrag van € 3.780,- heeft betaald voor zorg verleend door [naam zorgverlener a].

1.5.

Bij besluit van 4 november 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant over het jaar 2013 vastgesteld op € 22.953,03 en een bedrag van € 20.371,52 teruggevorderd. Tegen het besluit van 4 november 2015 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zijn pgb ten onrechte lager is vastgesteld. Volgens appellant heeft het Zorgkantoor zijn belangen onvoldoende meegewogen. Appellant heeft aangevoerd dat de zorgovereenkomst met [naam zorgverlener a] foutief is ingevuld, nu door [naam zorgverlener a] vijf uur zorg per dag is verleend, in plaats van de in de zorgovereenkomst vermelde vijf uur per maand. Daarnaast heeft het Zorgkantoor niet gekeken naar de gevolgen van de lagere vaststelling en de mate van verwijtbaarheid van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitspraken van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en ECLI:NL:CRVB:2016:4642 en van 5 juli 2017, ECLL:NL:CRVB:2017:2379, heeft de Raad uiteengezet hoe het wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de AWBZ moet worden begrepen. Uit deze uitspraken volgt dat het Zorgkantoor met de onder 1.3 genoemde brieven van 6 november 2014 buitenwettelijke beslissingen heeft genomen en dat het bestreden besluit in zoverre geacht wordt deel uit te maken van het vaststellingsbesluit van 4 november 2015. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de gehele aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 november 2015 beoordelen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het pgb lager vast stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.4.

De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden er niet toe dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen. Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. De stelling van appellant dat sprake is van een verschrijving in de zorgovereenkomst en dat met [naam zorgverlener a] overeen is gekomen dat hij vijf dagen per week werkt gedurende vijf uur per dag, vindt geen steun in bijvoorbeeld declaratieformulieren of urenbriefjes. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde vragenlijst familieverhouding en verklaring opting-in, leiden de Raad niet tot een ander oordeel reeds omdat deze niet volledig zijn ingevuld. De betalingen van appellant aan [naam zorgverlener a] zijn bovendien niet in overeenstemming met het in de zorgovereenkomst vermelde jaarsalaris. Appellant is dus niet in staat gebleken om op een volledige, eenduidige en objectief verifieerbare wijze aan te tonen hoe hij zijn pgb heeft besteed. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant.

4.5.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 39.366,20 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Door appellant zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 4 november 2015 ongegrond is.

5. Aanleiding bestaat het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 november 2015 ongegrond;

- veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) N.R. Docter

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB