Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
15/8278 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7548, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Onderzoeksmethode: waarnemingen gedurende korte periode vanaf de openbare weg. Geen inbreuk op art. 8 EVRM. Cognitieve beperkingen betrokkene niet zodanig dat zij niet gehouden kan worden aan afgelegde verklaring. Resultaten onderzoek geven slechts voldoende feitelijke grondslag voor gedeelte van periode in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8278 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2015, 15/3682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant worden met ingang van 1 januari 2015 de taken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (college) op het gebied van werk en inkomen uitgevoerd door het dagelijks bestuur. In deze uitspraak wordt, daar waar gesproken wordt van het dagelijks bestuur, tevens bedoeld zijn rechtsvoorganger het college.

Namens appellante heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Namens appellante is mr. De Heer verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

C.G.W.M.H. Vermeulen en P. van den Broek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 12 september 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm van een alleenstaande ouder. Appellante heeft samen met

[naam zoon] ( [X] ) een zoon, geboren op [in] 2013. Appellante stond met haar zoon per

21 maart 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten van appellante van 3 juni 2014 hebben medewerkers van de gemeente Moerdijk appellante op

1 juli 2014 gehoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek is [X] aangetroffen. Ook werden in de woning en in de garage persoonlijke bezittingen van [X] aangetroffen. Appellante heeft tijdens dit huisbezoek verklaard dat [X] gemiddeld twee keer per week bij haar langs komt en dat zij zwanger was van hun tweede kind.

1.3.

Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het huisbezoek hebben medewerkers van de afdeling Toezicht en handhaving, team Fraude en samenleving van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader hebben de medewerkers in de periode van 18 augustus 2014 tot en met 28 oktober 2014 op wisselende dagen en tijdstippen waarnemingen verricht bij de woning op het uitkeringsadres en bij de woning van de ouders van [X] in de gemeente [gemeente] . Op 28 oktober 2014 heeft een onaangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres plaatsgevonden, waar [X] op dat moment aanwezig was. Appellante en [X] zijn tijdens het huisbezoek gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 oktober 2014.

1.4.

Het dagelijks bestuur heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 14 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 april 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 18 augustus 2014 in te trekken en de over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.776,11 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante niet heeft gemeld dat zij vanaf 18 augustus 2014 met [X] op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voert.

1.5.

Aan appellante en [X] is naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag met ingang van 3 november 2014 bijstand verleend naar de norm voor gehuwden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loop van 18 augustus 2014 (datum met ingang waarvan is ingetrokken) tot 3 november 2014 (datum met ingang waarvan weer bijstand is toegekend).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat uit de relatie van appellante en [X] een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB uitsluitend van belang of appellante en [X] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of [X] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven bevindt.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de waarnemingen van het dagelijks bestuur een ongerechtvaardigde inbreuk maken op het recht op privéleven als neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de resultaten van die waarnemingen daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het dagelijks bestuur had er namelijk rekening mee moeten houden dat appellante op dat moment zwanger was en door haar cognitieve vermogen zeer kwetsbaar is. Ook had het dagelijks bestuur appellante eerst kunnen horen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Vaststaat dat de waarnemingen in de directe nabijheid van de woning van appellante een inbreuk vormden op het recht op respect voor het privéleven van appellante. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) biedt de in artikel 53a van de WWB vermelde onderzoeksbevoegdheid voor deze waarnemingen een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het dagelijks bestuur heeft met de waarnemingen het oogmerk gehad het verrichten van onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de WWB. Dit doel kan worden aangemerkt als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland als bedoeld in artikel 8, tweede lid van het EVRM, nu daaronder mede moet worden begrepen het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude van sociale uitkeringen. Dit is daarom een gerechtvaardigd doel. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2644. Anders dan appellante stelt, zijn de waarnemingen niet zodanig intensief dat daarmee in strijd met artikel 8, tweede lid, van het EVRM is gehandeld. De inbreuk die het dagelijks bestuur op het privéleven van appellante heeft gemaakt door de waarnemingen was, ook uitgaande van de gestelde kwetsbare positie van appellante, niet onevenredig zwaar in verhouding tot het hiervoor beschreven doel. Het ging immers om kortdurende waarnemingen in een beperkte periode vanaf de openbare weg, waarbij de auto van [X] in de omgeving van de woning van appellante en ook in de omgeving van de woning van de ouders van [X] meermalen is waargenomen. De met de waarnemingen gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante is dan ook beperkt gebleven. Evenmin kan worden geoordeeld dat op enig moment een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand te onderzoeken. Appellante was immers relatief kort daarvoor op 1 juli 2014 al gehoord in het kader van de aanvraag om bijzondere bijstand, mede naar aanleiding waarvan twijfel over de woon- en leefsituatie van appellante is ontstaan. Dat het gehoor op

1 juli 2014 plaatsvond in het kader van de aanvraag om bijzondere bijstand doet aan het voorgaande niet af, nu bij dat gehoor de woon- en leefsituatie van appellante is besproken.

4.6.

De beroepsgrond dat appellante, gelet op haar cognitieve beperkingen, niet aan haar verklaring van 28 oktober 2014 kan worden gehouden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellante heeft haar verklaring weliswaar niet ondertekend, maar dit vormt geen grond om geen betekenis toe te kennen aan die verklaring, nu appellante voor het niet ondertekenen geen reden heeft willen geven. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar cognitieve beperkingen niet juist heeft kunnen verklaren. In het verslag psychodiagnostisch onderzoek van drs. T. Duijvestijn, psycholoog, van 25 februari 2014 staat weliswaar dat appellante functioneert op de grens van licht verstandelijk beperkt en laag begaafd intelligentieniveau, maar hieruit volgt niet dat zij daardoor niet zou kunnen verklaren over haar feitelijke woonsituatie. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Dit betekent dat het dagelijks bestuur de door appellante afgelegde verklaring in de besluitvorming heeft kunnen betrekken.

4.7.

De beroepsgrond dat uit de verklaring van appellante en de overige onderzoeksbevindingen, niet kan worden afgeleid dat [X] in de gehele te beoordelen periode

zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, slaagt deels wel. Hiertoe bestaat aanleiding een onderscheid te maken in twee perioden.

De periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014

4.7.1.

Appellante heeft op 28 oktober 2014 onder meer verklaard dat [X] overdag (maandag tot en met zondag) bij haar in de woning is. Hij komt aan vanaf 9.00 uur tot en met in de loop van de middag. Hij blijft ongeveer twee à drie nachten per week bij haar overnachten. Hij blijft in het weekend niet slapen. [X] helpt appellante met klussen in de woning, omdat zij in verband met haar zwangerschap niet mag tillen. Als de auto van [X] achter haar woning staat, wil dat zeggen dat [X] bij haar is. [X] is het merendeel van de tijd in de woning. Deze situatie is al gaande vanaf de zomervakantie.

4.7.2.

[X] heeft verklaard dat hij vrijwel dagelijks in de woning van appellante is, omdat hij wil helpen. Appellante is hoogzwanger en hij wil haar graag helpen ook omdat zijn zoon daar woont.

4.7.3.

De verklaringen van appellante en [X] zijn onvoldoende concreet en gedetailleerd. Appellante en [X] hebben weliswaar beiden verklaard dat [X] dagelijks in de woning is, maar zij zijn daarover niet doorgevraagd terwijl beiden hebben verklaard dat [X] daar is om appellante te helpen. Appellante heeft enkel verklaard over het aantal nachten dat [X] bleef slapen. [X] is in het geheel niet doorgevraagd over zijn aanwezigheid in de woning van appellante. Evenmin is hij verzocht nader te definiëren wat hij bedoelde met ‘in de woning zijn’ en hierbij een tijdspanne en frequentie aan te geven. Hierbij is tevens van belang dat voor de vraag of iemand zijn hoofdverblijf op een adres heeft meer omstandigheden van belang zijn dan het enkele aanwezig zijn op dat adres. Deze verklaringen van appellante en [X] bieden dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [X] vanaf 18 augustus 2014 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.7.4.

Voor de conclusie dat [X] reeds zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had in de periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 zijn geen aanknopingspunten te vinden in de in 1.3 genoemde waarnemingen al dan niet in samenhang bezien met de verklaringen van appellante en [X] . Uit de waarnemingen blijkt dat de auto van [X] veelvuldig nabij de woning van appellante is waargenomen, zowel in de vroege ochtend als ‘s avonds. Uit deze waarnemingen blijkt echter niet dat de auto van [X] , met uitzondering van één week, op meer dan twee of drie dagen nabij de woning van appellante is waargenomen. In de week van 8 tot en met

14 september 2014 is de auto van [X] op vier dagen waargenomen, waarvan op één dag zowel nabij het uitkeringsadres in de vroege ochtend als nabij de woning van de ouders van [X] in de avond, en op één dag in de late avond nabij het uitkeringsadres terwijl de auto in de daarop volgende vroege ochtend nabij de woning van de ouders van [X] is waargenomen. Verder blijkt uit de waarnemingen dat de auto van [X] herhaaldelijk tijdens waarnemingen niet is aangetroffen nabij het uitkeringsadres terwijl deze wel meermalen nabij de woning van zijn ouders is waargenomen. Dat de auto van [X] veelvuldig en ook enkele keren voor negen uur in de ochtend of ’s avonds laat is aangetroffen nabij het uitkeringsadres, komt overeen met de verklaring van appellante dat [X] ook twee à drie nachten per week bleef slapen. Dat [X] meer dan die twee à drie nachten per week bleef slapen kan niet uit de waarnemingen worden opgemaakt. Uit de waarnemingen kan dan ook niet een verdergaande conclusie worden getrokken dan dat gedurende de periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 [X] veelvuldig bij appellante verbleef, wat overigens ook in overeenstemming is met de verklaringen van appellante en [X] . Hieruit kan echter niet worden geconcludeerd dat [X] in die periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

De periode van 13 oktober 2014 tot en met 3 november 2014

4.7.5.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat [X] tegen het einde van de zwangerschap langer en frequenter bij haar aanwezig was en dat er sprake was van een bepaalde opbouw in intensiteit. Dit blijkt ook uit de waarnemingen. Uit de waarnemingen blijkt dat de auto van [X] vanaf 13 oktober 2014 niet alleen veelvuldig in de vroege ochtend, en ’s avonds laat is aangetroffen nabij het uitkeringsadres, maar ook dat dit op meer dan twee à drie dagen per week is waargenomen en dat de auto tijdens waarnemingen niet is aangetroffen nabij de woning van de ouders van [X] . In de week van 13 tot en met 19 oktober 2014 is de auto op zes dagen nabij het uitkeringsadres aangetroffen, en ook in de daarop volgende week is de auto daar meer dan drie dagen waargenomen. Verder blijkt uit de dossierstukken dat [X] sinds 30 oktober 2014 op het uitkeringsadres stond ingeschreven in de brp. De waarnemingen in samenhang bezien met de in 4.7.1 tot en met 4.7.3 genoemde verklaringen van appellante en [X] bieden voor de periode vanaf 13 oktober 2014 tot en met

3 november 2014 dan ook een toereikende grondslag voor de conclusie dat [X] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

4.8.

Uit 4.7.1 tot en met 4.7.5 volgt dat voor de conclusie van het dagelijks bestuur dat appellante en [X] in de periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voerden onvoldoende feitelijke grondslag bestaat. Dit leidt tot de slotsom dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de die periode aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van de bijstand was voldaan. De intrekking over de periode van 13 oktober 2014 tot 3 november 2014 berust wel op een voldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 en de terugvordering. Mede in aanmerking genomen dat door het tijdsverloop onaannemelijk is dat het dagelijks bestuur het geconstateerde gebrek dat ook aan het besluit van 14 november 2014 kleeft alsnog kan herstellen en dat aan appellante met ingang van 3 november 2014 bijstand is toegekend, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 14 november 2014 te herroepen, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 en de terugvordering, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 2.970,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2015 gegrond en vernietigt dit besluit,

voor zover het betreft de intrekking over de periode 18 augustus 2014 tot 13 oktober 2014 en

de terugvordering;

- herroept het besluit van 14 november 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats komt van het vernietigde besluit van 16 april 2015;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. Ter Brugge en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD