Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
16/72 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het advies van de leidinggevende volgt genoegzaam dat en waarom appellant nog niet voldeed aan het criterium van verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. De korpschef heeft het verzoek van appellant wel mogen afwijzen. Het motiveringsgebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat appellant daardoor niet is benadeeld. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/72 AW

Datum uitspraak: 5 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 november 2015, 15/2685 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B. van Doorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als politieambtenaar aangesteld, laatstelijk bij de voormalige regiopolitie Amsterdam-Amstelland, thans de Eenheid Amsterdam, in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Bij deze voorwaarde is als voetnoot opgenomen: “Met dien verstande dat in het voortraject een assessment deel kan uitmaken van het persoonlijk ontwikkelingsplan”. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf

1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.4.

De Eenheid Amsterdam heeft aanvankelijk de bevordering naar senior GGP om financiële redenen niet volgens de circulaire en het daarbij behorende loopbaanbeleid uitgevoerd. Op 7 februari 2013 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politiebonden in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) besloten dat de Eenheid Amsterdam alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen voor bevordering naar de functie senior GGP in behandeling neemt conform de landelijke circulaire, ook als reeds een negatief besluit was genomen. Bij de beoordeling van de aanvragen wordt alle leidinggevenden gevraagd te motiveren of de betreffende collega geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. In maart 2013 heeft de CGOP-Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP nadere uitvoeringsafspraken gemaakt. Deze en andere afspraken zijn vastgelegd in een beleidsdocument van 26 november 2013 (beleidsdocument). Een van de afspraken is dat de aanvraag voor bevordering in het kader van het loopbaanbeleid uiterlijk op 31 december 2012 moet zijn ingediend. In het kader van een herstel- en inhaalactie geldt deze voorwaarde niet voor de Eenheid Amsterdam.

1.5.

Het criterium van een beoordeling ‘boven de norm’ is zodanig ingevuld dat de beoordeling moet zijn opgemaakt tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 en geen A en/of B-score mag bevatten. Er moeten ten minste vijf D-scores zijn waarvan twee D-scores in de kolom Professionaliteit, twee D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en één D-score in de kolom Resultaten. De beoordeling gaat over de GGP ervaring en moet hebben plaatsgevonden in het tijdvak 1 november 2010 tot en met 31 december 2012.

1.6.

Omdat niet in iedere beoordeling standaard de verwachte geschiktheid is opgenomen voor de naasthogere functie, is blijkens punt 7 van het beleidsdocument het volgende overeengekomen:

“A indien een generalist aan alle criteria voldoet en een positief oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan is aan alle eisen voldaan en kan betrokkene worden bevorderd;

B indien een generalist aan alle criteria voldoet maar geen oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan mag betrokkene door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen, en;

C indien een generalist, naar aanleiding van een vraag van de Eenheidsleiding, een negatief oordeel kreeg van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor senior GGP dan mag betrokkene alsnog door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen. Partijen beogen daarmee te bewerkstelligen dat mogelijke ongelijkheid bij die eerdere negatieve oordelen, te niet wordt gedaan.”

1.7.

Het functioneren van appellant in de periode 27 november 2010 tot en met 1 september 2011 is bij besluit van 30 september 2011 (beoordeling 1) beoordeeld met vijf D-scores, waarvan twee in de kolom Professionaliteit, drie in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en geen in de kolom Resultaten. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

1.8.

Appellant heeft op 18 oktober 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid. Dit verzoek is bij besluit van 23 oktober 2012 afgewezen. Hiertegen is bij brief van 4 december 2012 bezwaar gemaakt.

1.9.

Het functioneren van appellant in de periode 1 september 2012 tot en met 1 december 2013 (beoordeling 2) is beoordeeld met zeven D-scores, waarvan twee in de kolom Professionaliteit, twee in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en drie in de kolom Resultaten. De beoordeling is opgemaakt op 23 december 2013 en door het bevoegd gezag vastgesteld op 31 december 2013.

1.10.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft de korpschef het verzoek om bevordering opnieuw afgewezen, dit maal op de grond dat appellant gezien beoordeling 1 niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling ‘boven de norm’. Er is niet voldaan aan de eis van ten minste één D-score in de kolom Resultaten.

1.11.

Bij besluit van 15 april 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef het besluit van

19 maart 2014 gehandhaafd. Daaraan is mede ten grondslag gelegd dat beoordeling 2 is opgemaakt op 23 december 2013 en daarmee buiten de in het beleidsdocument opgenomen periode van 1 november 2008 tot 1 januari 2013 valt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de invulling die korpschef heeft gegeven aan het loopbaanbeleid onredelijk is. Appellant heeft volgens de rechtbank geen feiten gesteld waaruit blijkt dat hij al voor 1 januari 2013 voldeed aan alle vereisten voor bevordering naar de functie van Senior GGP. Beoordeling 2 is volgens de rechtbank hierbij niet relevant, omdat een beoordeling ingevolge het loopbaanbeleid moet zijn opgemaakt tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 1 februari 2017 heeft hij een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2072), waaruit blijkt dat aan beoordeling 2 wel belang toekomt.

3.2.

Bij brief van 12 april 2017 heeft de korpschef bevestigd dat beoordeling 2 thans gezien wordt als een beoordeling ‘boven de norm’. Omdat de leidinggevende op 3 maart 2013 negatief heeft geadviseerd over de verwachte geschiktheid krijgt appellant de mogelijkheid om door middel van een assessment alsnog aan te tonen dat hij voldoet aan het criterium van de verwachte geschiktheid.

3.3.

Bij brief van 15 juni 2017 heeft appellant laten weten dat uit het assessment de verwachte geschiktheid niet is gebleken. Appellant heeft in dit kader nog aangevoerd dat nadere beschouwing van het advies van de leidinggevende van 3 maart 2013 oplevert dat de leidinggevende mede tot het (negatieve) oordeel is gekomen op basis van de omstandigheid dat appellant ‘op de norm’ zou presteren. Hierbij heeft de leidinggevende zich laten leiden door beoordeling 1, een beoordeling die gelet op de criteria van het loopbaanbeleid niet ‘boven de norm’ was. Nu zoals gebleken is beoordeling 2 van toepassing is op het voor het loopbaanbeleid relevante tijdvak en deze beoordeling ‘boven de norm’ is, dient de leidinggevende zich opnieuw over de verwachte geschiktheid uit te laten, ditmaal met het uitgangspunt dat appellant ‘boven de norm’ presteert.

3.4.

De korpschef heeft bij brief van 16 juni 2017 laten weten geen aanleiding te zien om de beoordelaar om een nieuw advies over de verwachte geschiktheid te vragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat beoordeling 2 een beoordeling ‘boven de norm’ betreft. Partijen verschillen nog slechts van mening over de vraag of appellant op

31 december 2012 de verwachte geschiktheid had voor de functie van senior GGP. Deze vraag is in het bestreden besluit niet aan de orde geweest.

4.2.

Op 3 maart 2013 heeft de leidinggevende een advies gegeven over de verwachte geschiktheid van appellant voor de functie van senior GGP. Dit advies luidt als volgt:

“Dit komt te vroeg, is nog geen senior GGP in gedrag en kennis. Presteert ‘op de norm’. Zou in de toekomst wel senior kunnen worden, is leergierig en bereid te investeren in zichzelf maar moet nog groeien. Mist ervaring. Advies negatief”.

4.3.

De verwachte geschiktheid van appellant voor de functie van senior GGP blijkt noch uit het advies van 3 maart 2013, noch uit de resultaten van het aan appellant aangeboden assessment.

4.4.

De Raad ziet in de zinsnede ‘presteert op de norm’ zoals die is opgenomen in het advies over de verwachte geschiktheid in relatie tot het feit dat beoordeling 2 thans als ‘boven de norm’ wordt aangemerkt geen aanleiding voor het vragen van een nieuw advies over de verwachte geschiktheid. De beoordeling over het functioneren van appellant als generalist GGP dient te worden onderscheiden van de inschatting over de geschiktheid van appellant voor de functie van senior GGP. Uit het advies van de leidinggevende volgt genoegzaam dat en waarom appellant nog niet voldeed aan het criterium van verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP.

4.5.

Uit 4.1 vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit 4.3 en 4.4 volgt echter dat de korpschef het verzoek van appellant wel heeft mogen afwijzen. Het motiveringsgebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat appellant daardoor niet is benadeeld.

4.6.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient in zoverre, gezien het overwogene onder 4.5 met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

4.7.1.

Ten slotte heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.7.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

4.7.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

4.7.4.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.7.5.

In het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpschef op 6 december 2012 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van

23 oktober 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en tien maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding van tien maanden komt derhalve geheel voor rekening van de korpschef. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op twee keer € 500,-, dat is € 1.000,-, te betalen door de korpschef.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 1.237,50 in hoger beroep, in totaal € 2.227,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de korpschef tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.227,50;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in het beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Dinleyici

HD