Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
15/8218 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door de verzekeringsartsen verrichte medische onderzoek. Juiste arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8218 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

6 november 2015, 15/2106 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Skála, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Skála. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1977, heeft op 24 juli 2014 een aanvraag om arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) bij het Uwv ingediend. Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 april 2015, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat de afwijzing van de aanvraag van appellante voor arbeidsondersteuning inhoudelijk beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals deze luidden tot 1 januari 1998. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de aanvraag gelet op de bepalingen van de AAW terecht is afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd is dat appellante op haar 17e/18e levensjaar niet arbeidsongeschikt was in de zin van de AAW.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante bestreden dat zij niet arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de AAW. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat zij rond haar 18e levensjaar leed aan een depressie en een burn-out en dat zij door haar psychische klachten niet in staat was om de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Appellante heeft tevens aangevoerd dat haar klachten in de periode van vijf jaar na haar 18e verjaardag zijn verergerd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) moeten de vanaf 1 januari 2010 ingediende aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong van personen die geboren zijn vóór 1 januari 1980 beoordeeld worden aan de hand van het bepaalde in de AAW. Nu appellante is geboren in 1977 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, hoewel de aanvraag is ingediend na 1 januari 2010, de beoordeling van haar aanspraken dient plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de AAW.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, heeft recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag dat hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

Ingevolge artikel 32a van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, vindt toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken of aan wie per einde wachttijd niet een zodanige uitkering werd toegekend, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na ommekomst van de wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken. Nu de 18e verjaardag van appellante na 30 december 1990 lag, kan zij in beginsel een aanspraak aan deze bepaling ontlenen (zie de uitspraak van de Raad van 5 februari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AD9471).

4.5.

Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van 10 oktober 2014 en 7 april 2015 volgt dat zij bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn uitgegaan van de 17e verjaardag van appellante en de periode van 52 weken daarna. Voorts is onderzocht of binnen een periode van vijf jaar na afloop van het 18e levensjaar van appellante sprake was van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsartsen hebben aangenomen dat bij appellante rond het 17e/18e levensjaar sprake was van dyslexie en dat zij toen een verhoogd risico liep op het ontwikkelen van burn-out klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat er medisch objectief geen signalen zijn dat er tot 1 juni 2000 (vijf jaar na haar 18e verjaardag) sprake was van toegenomen beperkingen op basis van ziekte of gebrek. De belastbaarheid van appellante voor het verrichten van arbeid, zoals deze heeft te gelden vanaf haar 17e/18e levensjaar, is door de verzekeringsarts vastgelegd in een op 10 oktober 2014 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daarbij zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren en Sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid onderschreven.

4.6.

Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door de verzekeringsartsen verrichte medische onderzoek. Voorts zijn er geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid van appellante op haar 17e/18e levensjaar, zoals vastgelegd in de FML van 10 oktober 2014. Appellante heeft haar stelling dat zij rond haar 18e levensjaar aan een depressie en een burn‑out leed niet met medische gegevens onderbouwd. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op haar 17e/18e levensjaar door de verzekeringsartsen onjuist is ingeschat. Evenmin heeft appellante medische gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat in de periode van 1 juni 1995 tot 1 juni 2000 sprake is geweest van een toename van haar beperkingen. Het bewijsrisico dat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, ligt bij een laattijdige aanvraag volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) bij de aanvrager.

4.7.

Een arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd die appellante met inachtneming van de voor haar destijds geldende belastbaarheid kon verrichten en heeft op basis daarvan berekend dat appellante in staat was tenminste 75% van het voor haar geldende maatmaninkomen, het wettelijk minimumloon, te verdienen. In zijn rapport van 20 april 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de functies nader toegelicht. Er is geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.9.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB