Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
15/8355 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit 1 vervangen door bestreden besluit 2, geen schade gesteld, geen belang bij beoordeling besluit 1. Herhaalde aanvraag. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat pensioenoverzicht geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De Svb heeft hoorzitting afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat informatie of gegevens zouden worden overgelegd. Niet verenigbaar met artikel 7:2, eerste lid, in verbinding met artikel 7:3 van de Awb. Opdracht aan Svb om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1049

Uitspraak

15/8355 AOW

Datum uitspraak: 29 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 november 2015, 14/8837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 10 december 2009 heeft de Svb op aanvraag van appellant een pensioenoverzicht verstrekt. Hierin is onder meer vermeld dat appellant niet verzekerd is geweest van

17 oktober 1967 tot en met 14 juni 2007. Appellant heeft tegen dit overzicht geen bezwaar gemaakt. Op 28 mei 2013 heeft appellant opnieuw een pensioenoverzicht aangevraagd. De Svb heeft bij brief van 22 juli 2013 appellant verzocht om de overgelegde gegevens aan te vullen. Bij brief van 31 juli 2013 heeft appellant nadere gegevens verstrekt.

1.2.

Op 22 augustus 2013 heeft de Svb een nieuw pensioenoverzicht verstrekt. Daarin is vermeld dat appellant niet verzekerd is geweest van 17 juli 1968 tot en met 14 juni 2007.

1.3.

Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013. Daarbij is verzocht om een termijn voor het indienen van nadere gronden. Bij brief van
14 oktober 2013 is daartoe een termijn verleend van vier weken en meegedeeld dat het formulier binnen drie weken dient te worden teruggezonden, indien appellant gebruik wenst te maken van een hoorzitting. De brief van 14 oktober 2013 is appellant bij brief van

20 januari 2014 in herinnering gebracht. Bij brieven van 3 februari 2014 en 21 juli 2014 is namens appellant verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van aanvullende gronden van het bezwaar. Daarbij is vermeld dat appellant het bezwaar op een hoorzitting wenst toe te lichten. De Svb heeft bij brief van 23 juli 2014 de behandeling van het bezwaar opgeschort tot 1 oktober 2014 om appellant in de gelegenheid te stellen alsnog aanvullende gronden in te dienen. Op telefonisch verzoek van de gemachtigde van appellant is verder uitstel verleend tot 31 oktober 2014.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 is bij besluit van 3 november 2014 ongegrond verklaard.

1.5.

Nadat tegen dit besluit beroep was ingesteld, heeft de Svb dit besluit ingetrokken bij besluit van 16 februari 2015. Daarbij is het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van
22 augustus 2013 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 geen besluit is waartegen bezwaar of beroep open staat, nu geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de Svb is het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 niet op enig rechtsgevolg gericht, omdat het beoogde rechtsgevolg al met het pensioenoverzicht van 10 december 2009 tot stand is gebracht. Voorts is bij het besluit van 16 februari 2015 het bezwaar aangemerkt als (mede) gericht tegen het pensioenoverzicht van 10 december 2009. De Svb heeft het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van 10 december 2009 als
niet-ontvankelijk aangemerkt wegens niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van
16 februari 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Wat betreft de
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van

22 augustus 2013, is geoordeeld dat de rechtbank geen redenen ziet om tot een ander oordeel te komen dan de Svb. Voorts is geoordeeld dat de Svb het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van 10 december 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Svb heeft van het horen mogen afzien, omdat redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de conclusie dat de bezwaren tegen de pensioenoverzichten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Voor zover de aanvraag van 28 mei 2013 dient te worden aangemerkt als verzoek om herziening van het pensioenoverzicht van 10 december 2009, is de rechtbank van oordeel dat de Svb niet gehouden was terug te komen van dit eerdere pensioenoverzicht, omdat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 geen bezwaar kon worden gemaakt. Volgens appellant is op de zitting van de rechtbank door de rechter bevestigd dat tegen ieder pensioenoverzicht bezwaar kan worden gemaakt. Gesteld is dat appellant nog een belang heeft bij het beroep tegen bestreden besluit 1. Betoogd is dat het pensioenoverzicht van
22 augustus 2013 op enig rechtsgevolg was gericht. Het rechtsgevolg was volgens appellant dat de aanvraag tot bijstelling van het eerdere pensioenoverzicht is afgewezen. In de aangevallen uitspraak is er ten onrechte van uitgegaan dat een pensioenoverzicht alleen op het moment van pensionering kan worden betwist. Door af te zien van een hoorzitting is een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat een wijziging van het pensioenoverzicht alleen kan plaatsvinden in geval van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant wijst erop dat het pensioenoverzicht van 10 december 2009 niet op aanvraag – maar spontaan – is verstrekt en na de aanvraag om wijziging daarvan door de Svb vragen zijn gesteld, die appellant zo goed mogelijk heeft beantwoord.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bestreden besluit 1 is vervangen door bestreden besluit 2. Appellant heeft niet gesteld dat hij door bestreden besluit 1 schade heeft geleden. Appellant heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van bestreden besluit 1. Daaruit volgt dat bij de aangevallen uitspraak terecht is vastgesteld dat het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.2.

Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.3.

In het voorliggende geval is een besluit genomen naar aanleiding van een herhaalde aanvraag om een pensioenoverzicht. In zijn uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2153, heeft de Raad geoordeeld dat niet valt in te zien dat voor het naar aanleiding van een dergelijk verzoek te nemen besluit niet hetzelfde zou gelden als wat de Raad heeft overwogen ten aanzien van (nog) niet gerealiseerde duuraanspraken, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

4.4.

Gelet op deze rechtspraak is bij de aangevallen uitspraak ten onrechte geoordeeld dat ten aanzien van het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daaruit volgt dat het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat geen rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen het pensioenoverzicht van 10 december 2009. In het midden kan blijven of bij bestreden besluit 2 terecht is aangenomen dat met het bezwaar van appellant mede is bedoeld alsnog bezwaar te maken tegen het pensioenoverzicht van 10 december 2009 en of moet worden aangenomen dat bij bestreden besluit 2 mede een beslissing is genomen op het bezwaar tegen dit pensioenoverzicht.

4.6.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894, volgt dat in het geval waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.7.

Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak is in de aangevallen uitspraak ten onrechte geoordeeld dat, voor zover appellant heeft willen betogen dat de Svb zijn aanvraag van
28 mei 2013 had dienen aan te merken als een verzoek om herziening van het pensioenoverzicht van 10 december 2009, dit betoog hem niet kan baten. Daaraan doet niet af dat op de zitting van de rechtbank van de zijde van de Svb een standpunt is ingenomen over de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De bestuursrechter dient immers – zo volgt uit de genoemde rechtspraak – in het geval waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, en, zo ja, na te gaan of in de aangevoerde gronden aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit – waarbij toepassing is gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb – in zoverre evident onredelijk is.

4.8.

De aanvraag van 28 mei 2013 heeft betrekking op de vraag of appellant dient te worden aangemerkt als verzekerd over de periode van 1991 tot en met 14 juni 2007. Vastgesteld wordt daarom dat alleen de periode voorafgaande aan de aanvraag van 28 mei 2013 in geschil is.

4.9.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden – ingevolge de hiervoor genoemde rechtspraak – verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd.

4.10.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in bezwaar onvoldoende in de gelegenheid is gesteld nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren en dat ten onrechte van een hoorzitting is afgezien.

4.11.

Vastgesteld wordt dat appellant in bezwaar herhaaldelijk heeft verzocht om verlenging van de termijn waarin hem de gelegenheid is geboden nadere informatie aan te dragen of gegevens over te leggen. De Svb heeft telkens met deze verzoeken ingestemd. Namens appellant is voorafgaand aan het nemen van bestreden besluit 1 verzocht het bezwaar op een hoorzitting te kunnen toelichten. Voorafgaand aan het nemen van bestreden besluit 1 is appellant niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Daarbij is door de Svb overwogen dat appellant in de gelegenheid is gesteld om het bezwaar in een hoorzitting toe te lichten, maar hij daarvan “vanwege het ontbreken van aanvullende informatie” geen gebruik heeft gemaakt. Niet in geschil is dat geen toestemming is gegeven om van de hoorzitting af te zien. De Svb heeft het geven van gelegenheid om het bezwaar in een hoorzitting toe te lichten, afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat appellant eerst de aangekondigde informatie of gegevens zou overleggen. Deze gang van zaken is in de omstandigheden van het geval niet verenigbaar met artikel 7:2, eerste lid, in verbinding met artikel 7:3 van de Awb. Daardoor kan niet worden gezegd dat de Svb zich zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit brengt mee dat – ook als met de rechtbank zou kunnen worden aangenomen dat de Svb bij bestreden besluit 2 (mede) toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb – bestreden besluit 2 geen stand houdt.

4.12.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.11 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallenuitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Bestreden besluit 2 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, in verbinding met artikel 7:3 en artikel 4:6 van de Awb. Het beroep tegen dit besluit wordt gegrond verklaard.

4.13.

Er is aanleiding om ervan af te zien om bij deze uitspraak het voorliggende geding definitief te beslechten. Namens appellant is uitdrukkelijk verzocht om te bepalen dat opnieuw op het bezwaar zou worden beslist in geval de Raad tot het onder overweging 4.12 gegeven oordeel zou komen. Bepaald dient te worden dat de Svb een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar tegen het pensioenoverzicht van 22 augustus 2013.

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.237,50 in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.227,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep tegen het besluit van 16 februari 2015;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 februari 2015;

- draagt de Svb op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.227,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB