Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/224 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag norm alleenstaande ouder na eerdere intrekking (zie 16/220WWB). Onduidelijkheden over onroerend goed, geldbedragen en sieraden niet weggenomen. Onvoldoende informatie verstrekt om recht op bijstand te kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 224 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 december 2015, 15/6101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (college)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/220 WWB plaatsgevonden op 25 juli 2017. Namens appellante is verschenen mr. Bokhorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat, en E. van Dam-Romijn. In zaak 16/220 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving samen met haar echtgenoot vanaf 11 januari 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft het college de bijstand van appellante en haar echtgenoot met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2014 van appellante en haar echtgenoot teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en haar echtgenoot de inlichtingenverplichting hebben geschonden door onder meer niet bij het college te melden dat de echtgenoot van appellante regelmatig naar het buitenland reisde, dat zij beschikten over vermogen in de vorm van een woning in Syrië, contant geld en sieraden, dat zij geldtransacties naar het buitenland verrichtten en geldbedragen van derden vanuit het buitenland ontvingen. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit besluit is met de uitspraak van heden in de zaak 16/220 PW in stand gebleven.

1.3.

Appellante heeft op 30 maart 2015 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend bij het college, naar de norm voor een alleenstaande ouder omdat haar echtgenoot sinds 5 november 2014 gedetineerd was. In het kader van deze aanvraag heeft het college appellante bij brieven van 9, 20, 23 en 25 maart 2015 in de gelegenheid gesteld om concrete en verifieerbare bewijsstukken over te leggen van onder meer de onroerende zaken van appellante en haar echtgenoot in het buitenland, van het overige vermogen van appellante en haar echtgenoot in het binnen- en buitenland, van de door appellante en haar echtgenoot verrichte en ontvangen geldtransacties sinds 1 januari 2013 en van de wijze waarop zij de reizen die zij sinds 1 januari 2013 maakten hebben kunnen bekostigen.

1.4.

Bij besluit van 3 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college - samengevat - ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende informatie over haar financiële situatie heeft verstrekt om te kunnen vaststellen of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 30 maart 2015, de datum waarop appellante een aanvraag om bijstand heeft ingediend, tot en met 3 juni 2015, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat het aan appellante is om de onduidelijkheden die bestaan, met name over de waarde van de woning in het buitenland, de wijze waarop appellante en haar echtgenoot de reizen naar het buitenland hebben gefinancierd en hoe zij het goud en het vermogen in contanten ter waarde van € 7.500,- hebben kunnen vergaren, weg te nemen. Daarin is appellante niet geslaagd. Weliswaar heeft het Openbaar Ministerie ten tijde van de bijstandsaanvraag beslag gelegd op het goud en geld, zodat appellante hier niet over kon beschikken en verbleef de echtgenoot van appellante in detentie zodat hij geen reizen meer kon maken, maar dat laat onverlet dat appellante geen duidelijkheid heeft geboden over de bron waaruit het goud en de reizen zijn gefinancierd en de herkomst van het geldbedrag in contanten. De door appellante overgelegde verklaring van de vader van haar echtgenoot van 20 oktober 2015 dat hij zijn zoon geld stuurt dat hij kan uitgeven en dat hij hem geholpen heeft om naar Turkije te komen, is niet nader onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens zoals bewijzen van betaling van de vliegtickets. Voorts heeft appellante ook haar stelling dat zij het geldbedrag van € 7.500,- in contanten in de loop der jaren van familie heeft gekregen en dat het goud haar bruidsschat betreft, niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante onvoldoende informatie over haar financiële situatie heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De omstandigheid dat het college op grond van een latere aanvraag alsnog bijstand heeft verleend met ingang van 11 december 2015, leidt niet tot een ander oordeel. Namens het college is terecht gesteld dat het hier om een nieuwe aanvraag gaat die ziet op een andere periode dan de onderhavige aanvraag. Het college heeft hierbij ter zitting toegelicht dat en waarom bij de nieuwe aanvraag sprake was van een gewijzigde situatie.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.A.E. Bon

HD