Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
16/1122 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korošec uitgangspunten. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van oneerlijk proces of strijd met artikel 6 EVRM vanwege ontbreken financiële middelen om zelf deskundigenadvies in te brengen. Evenals rechtbank oordeel dat verzekeringsartsen inzichtelijk en overtuigend hebben onderbouwd hoe zij tot de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid komen. Bestreden besluit tot stand gekomen na uitvoerig medisch onderzoek, waarbij gegevens uit het verleden en de gezondheidsontwikkeling van appellante nadien zijn betrokken. Vaste rechtspraak reikwijdte vrijstelling solliciteren in het kader van de PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1122 WIA

Datum uitspraak: 13 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
13 januari 2016, 15/3408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 14 maart 2005 uitgevallen voor haar werk als algemeen afdelingsassistente voor 29 uur per week bij het [naam ziekenhuis] te [woonplaats] in verband met rugklachten en andere fysieke klachten aan schouder en handen. In verband daarmee is zij met ingang van 12 maart 2007 tot 12 september 2009 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft het Uwv aan appellante een WGA-vervolguitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een verzoek van de ex-werkgever van appellante om een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2013 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet wijzigt.

1.3.

Op 3 juli 2014 heeft de ex-werkgever opnieuw verzocht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante te herbeoordelen en haar in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2014 vastgesteld dat voor appellante vanaf 1 januari 2015 geen recht meer op een WIA-uitkering bestond, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van
8 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 mei 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 mei 2015.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek hebben verricht, waarbij appellante door beide artsen is onderzocht. Daarnaast hebben zij alle beschikbare informatie, zowel de eerdere verzekeringsgeneeskundige rapporten als de door appellante zelf ingebrachte stukken uit de behandelend sector bij hun beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarbij specifiek ingegaan op de aspecten die niet langer beperkt worden geacht, te weten “hand- en vingergebruik”, “buigen, geknield of gehurkt actief zijn“ en “hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk”. De rechtbank ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de medische beoordeling van de verzekeringsartsen op deze punten en ook overigens onjuist is. Dat bij een eerdere beoordeling op de hiervoor genoemde aspecten wel beperkingen zijn aangenomen is daarvoor onvoldoende. Daarbij acht de rechtbank van belang dat deze beoordeling dichterbij de datum in geding ligt en dat de verzekeringsartsen die deze beoordeling hebben uitgevoerd hun bevindingen ook draagkrachtig hebben gemotiveerd. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv bij appellante aangenomen beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante de werkzaamheden behorende bij de aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Gelet op het feit dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een onjuiste weergave is van de bij haar bestaande beperkingen zijn ook de voorgehouden functies ongeschikt. Ter zitting heeft appellante onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD009921212, Korošec) verzocht om een onderzoek door een onafhankelijke deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.2.

In wat appellante heeft aangevoerd, vindt de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In de aangevallen uitspraak is in 6.1 en 6.2 inzichtelijk weergegeven welke onderzoeken door de verzekeringsartsen zijn verricht. De Raad kan zich geheel vinden in de overweging van de rechtbank in 7.1 van de aangevallen uitspraak dat daarmee sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek.

Stap 2: equality of arms

4.3.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat het haar aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure in bezwaar informatie ingezonden van de huisarts en van de bedrijfsarts. Tijdens die procedure heeft appellante tevens, zo blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
11 mei 2015, een neuroloog en orthopeed bezocht en is een MRI vervaardigd. De informatie van huisarts en bedrijfsarts, evenals de medische bevindingen uit de jaren vanaf 2005, zijn in het rapport van 11 mei 2015 vermeld en besproken. Ter zitting bij de Raad heeft appellante vermeld dat geen andere medische bevindingen en informatie beschikbaar zijn dan die bij de besluitvorming door het Uwv zijn betrokken. Bij de rechtbank en in hoger beroep heeft appellante geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. De eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de door appellante ingebrachte informatie is kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante. Daargelaten dat appellante het gestelde financiële onvermogen niet heeft onderbouwd, geldt dat uit het arrest Korošec niet volgt dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen en de bedrijfsarts hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.4.

Evenals de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsartsen in hun rapporten inzichtelijk en overtuigend hebben onderbouwd hoe zij tot de in de FML van 26 augustus 2014 neergelegde bij appellante bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid komen. De Raad verwijst naar wat de rechtbank heeft overwogen in 7.2 tot en met 7.6 van de aangevallen uitspraak en onderschrijft die overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.

Het feit dat appellante bij het einde van de wachttijd op 12 maart 2007 op medische gronden volledig arbeidsongeschikt werd geacht kan er niet toe leiden dat ook wat betreft de datum hier in geding, te weten 1 januari 2015, dezelfde beperkingen dienen te gelden. Het bestreden besluit is tot stand gekomen na uitvoerig medisch onderzoek, waarbij de gegevens uit het verleden en de gezondheidsontwikkeling van appellante nadien, zoals uit de verschillende medische stukken blijkt, zijn betrokken. Dat het standpunt van de bedrijfsarts, gegeven in het kader van een herbeoordelingsverzoek, afwijkt van de conclusies van de verzekeringsartsen vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Onderbouwde onderzoeksbevindingen, waarop het afwijkende oordeel van de bedrijfsarts is gebaseerd, ontbreken.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv in aanmerking genomen beperkingen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aan appellante voorgehouden voorbeeldfuncties zoals die in hoger beroep resteren haar belastbaarheid niet overschrijden en daarom ook medisch geschikt voor haar zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 mei 2015 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht de (resterende) functies te vervullen.

4.7.

In hoger beroep heeft appellante een beschikking van 4 april 2017 van [organisatie] te [woonplaats] overgelegd waarbij is beslist dat appellante in verband met arbeidsongeschiktheid in het kader van de Participatiewet (PW) tot 1 maart 2019 wordt vrijgesteld van de verplichten tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1962) betekent de omstandigheid dat appellante in het kader van de PW tot 1 maart 2019 is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting niet dat zij ook niet in staat is om functies te vervullen op de reguliere arbeidsmarkt, waarbij in dit verband tevens van belang is dat de bedoelde beschikking betrekking heeft op een periode ver na de datum hier in geding.

4.8.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.H. Budde

AB