Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
16/1008 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:123, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:122, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek door verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep was voldoende zorgvuldig. Geen sprake van oneerlijk proces en strijd met artikel 6 EVRM omdat het appellant aan financiële middelen zou ontbreken om zelf deskundigenadvies in te brengen. Financiële onvermogen niet onderbouwd. Medische situatie appellant en daaruit voortvloeiende beperkingen afdoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd. Geen aanleiding om deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1008 ZW, 16/1009 ZW

Datum uitspraak: 27 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2015, 15/3908 (aangevallen uitspraak I) en 15/5029 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 12 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Akça-Altun. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

16 1008 ZW

1.1.

Appellant heeft na zijn ziekmelding op 12 december 2013 wegens psychische klachten op grond van de Ziektewet (ZW) ziekengeld ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellant voor die ziekmelding heeft verricht, was in de functie van montagemedewerker voor gemiddeld 40 uur per week.

1.2.

In het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 15 oktober 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 oktober 2014. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 98% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 12 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2015 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een van de geselecteerde functies laten vervallen omdat appellant niet voldeed aan de opleidingseis voor die functie. De mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd van 1,85% naar 3,1%.

2. Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat er niet te geringe beperkingen zijn vastgesteld. De verzekeringsarts(en) waren op de hoogte van de klachten van appellant en hebben informatie van behandelaars meegewogen. Appellant heeft zijn stelling dat de belasting van de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijdt, niet onderbouwd. Er is geen aanleiding voor een urenbeperking. Dat leidt tot de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35% en dat de ZW‑uitkering terecht is beëindigd per 12 januari 2015.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wegens lichamelijke en psychische klachten niet in staat is te werken. Hij heeft een brief van cardiothoracaal chirurg S. Bramer van 26 december 2015 in geding gebracht. Appellant is op 22 december 2015 geopereerd nadat hij al een jaar last had van druk op de borst, kortademigheid en vermoeidheid en sedert enkele maanden lijdt aan progressieve angina pectoris. Appellant voert aan dat die klachten er al waren op de datum in geding. De lichamelijke klachten zijn niet serieus genomen in de FML. Appellant kan zich daarnaast niet concentreren, kan niet tegen stress. Hij heeft meer beperkingen dan is opgenomen in de FML. Er had een urenbeperking vastgesteld moeten worden. Appellant kan de functies niet vervullen. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van
8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, (Korošec)), en van 15 maart 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, zaaknummer 39966/09 (Gillissen)). Appellant verzoekt de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen die de lichamelijke en psychische klachten kan beoordelen en de beperkingen kan vastleggen, aangezien appellant financieel niet in staat is om deze kosten te dragen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.3.

Het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en appellant op het spreekuur van 15 oktober 2014 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. De verzekeringsarts heeft als onderzoeksbevinding vermeld dat concentratie, aandacht en geheugen ongestoord lijken. Appellant is aangewezen op werk zonder nachtdiensten, tijdsdruk, conflicterende functie-eisen, verantwoordelijkheid en klant/patiënt contact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant onderzocht na de hoorzitting. In de bezwaarfase heeft appellant voor het eerst herniaklachten genoemd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 maart 2015 vermeld geen aanleiding te zien om hiervoor beperkingen op te nemen. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij onderzoek en bij de beoordeling van de medische situatie gegevens heeft gemist.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat het hem aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn lichamelijke en psychische beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedures in bezwaar, bij de rechtbank en in hoger beroep gebruikgemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over zijn cardiale en psychische situatie evenals informatie van zijn huisarts over andere aspecten van zijn gezondheidssituatie. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. De eigen onderzoeksbevindingen en de verzekeringsartsen en die informatie is kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant. Daargelaten dat appellant het gestelde financiële onvermogen niet heeft onderbouwd, geldt dat uit het arrest Korošec niet volgt dat de rechter uit een oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. Een situatie zoals deze in arrest Gillissen aan de orde was, waarbij was verzocht om getuigen te horen, doet zich hier niet voor.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.1.

In zijn brief van 26 december 2015 vermeldt Bramer dat appellant al een jaar geregeld last heeft van druk op de borst. Op 22 december 2015 vond een kleine chirurgische ingreep plaats, die ongecompliceerd verliep. Appellant is op 27 december 2015 in goede conditie ontslagen. Uit het huisartsenjournaal blijkt niet dat er rond de datum in geding van
12 januari 2015 melding is gemaakt van hartklachten, noch over vermoeidheid of kortademigheid. Ook in het rapport van de verzekeringsarts van 15 en 24 oktober 2014 zijn geen hartklachten vermeld. Op 23 juni 2015 wordt er voor het eerst gesproken over dergelijke klachten en dat is diverse maanden na de datum in geding. De Raad heeft noch uit de rapporten van de huisarts, noch uit de brief van Bramer aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat de cardiale klachten manifest aanwezig waren op de datum in geding.

4.5.2.

Van de door appellant vermelde rugklachten zijn geen nadere gegevens bekend geworden die aanknopingspunten bieden voor andere bevindingen dan waarvan de artsen van het Uwv zijn uitgegaan. Dat geldt eveneens voor de psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 maart 2015 uiteengezet waarom er voor de psychische klachten van appellant niet meer beperkingen worden opgenomen. Appellant heeft tot zijn ontslag normaal gewerkt. Een deel van de problemen zijn te objectiveren door life events. Maar er zijn geen aanwijzingen voor grote problemen. Appellant functioneert op micro, meso en macro niveau, heeft contacten en is niet ADL afhankelijk. De prognose is goed. De diagnoses depressieve stoornis (eenmalige episode matig) en de angststoornis NAO zoals door de behandelaars van appellant worden vermeld, zijn door de artsen van het Uwv bij het bepalen van de arbeidsmogelijkheden betrokken. Er zijn in lijn met die bevindingen beperkingen gesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant moet volgens die beperkingen ontzien worden qua sterke tijdsdruk en conflicterende functie-eisen. Er moet rekening worden gehouden met verminderde conflicthantering en een verhoogd afbreukrisico, geen grote verantwoordelijkheden en kunnen terugvallen op een leidinggevende. Gelet op de aanwezige gegevens wordt geconcludeerd dat de medische situatie van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen afdoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn gemotiveerd. Er is, gelet op de voorhanden gegevens, geen twijfel aan de juistheid van die beoordeling zodat ook op deze grond geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen.

4.6.

Gelet op wat in 4.5.1 en 4.5.2 is overwogen is met juistheid de FML van 24 oktober 2014 als basis genomen voor beoordeling van de passendheid van de geselecteerde functies. Daarvan uitgaande kan de rechtbank eveneens worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak I niet slaagt en dat aangevallen uitspraak I moet worden bevestigd.

16 1009 ZW

6.1.

Appellant heeft zich, vanuit de situatie dat hij werkloos was, op 27 februari 2015 opnieuw ziekgemeld.

6.2.

Bij besluit van 22 april 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 22 april 2015 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Bij besluit van 13 juli 2015 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2015 ongegrond verklaard.

6.3.

Bij aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de beperkingen van appellant. Zij hebben voldoende gemotiveerd waarom appellant geschikt is te achten voor zijn eigen werk (de functies die in het kader van de EZWb zijn geduid).

7.1.

In hoger beroep is aangevoerd dat de huisarts de benauwdheidsklachten en de drukkende pijn op de borst niet serieus heeft genomen. De klachten werden erger en na doorverwijzing bleek dat er sprake was van vernauwing in de kransslagaders. De klachten waren ook op de datum in geding van 22 april 2015 aanwezig, maar zijn niet serieus genomen. Daarnaast zijn er psychische klachten. Appellant is snel boos en afgeleid.

7.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

8.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

8.3.

Met de rechtbank en op grond van de overwegingen in aangevallen uitspraak II wordt geoordeeld dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellant op 22 april 2015 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Er zijn ten opzichte van de EZWb geen nieuwe gegevens of andere medische stukken naar voren gebracht die duiden op een wijziging in de medische situatie van appellant per 22 april 2015. Ook de informatie van Bramer van 26 december 2015 geeft daartoe geen aanleiding. Dit betekent dat er van mocht worden uitgegaan dat er geen objectieve veranderingen waren in de belastbaarheid en appellant geschikt was te achten voor (een van de) functies waarvoor hij bij de EZWb geschikt was geacht.

8.4.

Met betrekking tot het beroep op schending van de equality of arms wordt verwezen naar 4.4 van deze uitspraak. Er is geen aanleiding om in dit geding tot een ander oordeel te komen.

9. De overwegingen in 8.2 tot en met 8.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak II niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB