Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/6625 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door betrokkene in zijn incidenteel hoger beroepschrift aangevoerde omstandigheden leveren geen onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 31 van het VKBD op, op grond waarvan de minister aan hem een hogere vergoeding had moeten toekennen dan de afbouwvergoeding van drie maanden die hem is toegekend. Geen bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/320
TAR 2017/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6625 MAW, 17/1375 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 oktober 2016, 15/9128 en 16/539 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Commandant Koninklijke Marechaussee (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Verkroost hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K. Kromhout een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant en de minister heeft mr. Verkroost een zienswijze ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep. Desgevraagd heeft zij nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. Namens appellant en de minister is mr. Verkroost verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Kromhout.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is militair in de rang van [rang] bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Vanaf 1 maart 2014 is hij voor een periode van drie jaar geplaatst bij de [naam dienst] in [vestigingsplaats brigade] . Zijn woonplaats is [woonplaats] ,

[regio] . Voor het woon-werkverkeer maakt hij als automobilist gebruik van de Westerscheldetunnel. Bij e-mailbericht van 16 december 2014 is aan betrokkene en aan 123 eveneens betrokken collega’s meegedeeld, dat zij de hun ter beschikking gestelde t-tag, dat is een pas waarmee het ministerie van Defensie de tolgelden voor de Westerscheldetunnel betaalde, per 1 januari 2015 moeten inleveren, omdat de regelgeving de vergoeding van die kosten niet toelaat. Betrokkenen moeten een nieuwe tegemoetkoming woon-werkverkeer aanvragen. De tegemoetkoming wordt dan aangepast naar de kortste route via de openbare weg; de Westerscheldetunnel wordt daarbij niet als openbare weg aangemerkt. In de praktijk betekent dit voor betrokkene dat hij voor de toepassing van het Verplaatsingskostenbesluit Defensie (VKBD) geacht wordt over Antwerpen te rijden: een toename van 24 kilometer reisafstand, enkele reis. Betrokkene komt - anders dan vrijwel al zijn collega’s - niet in aanmerking voor vergoeding van deze omrijkilometers, omdat hij vanwege zijn grotere reisafstand reeds het maximale aantal van 90 kilometers vergoed krijgt. In zijn geval blijven de extra kosten die gemoeid zijn met de toename van reiskilometers van 92 km naar 116 km dus geheel voor zijn eigen rekening.

1.2.

Het verzoek van betrokkene om met toepassing van de in artikel 31 van het VKBD neergelegde hardheidsclausule vanaf 1 januari 2015 de tolgelden voor het gebruik van de Westerscheldetunnel te blijven vergoeden, is bij besluit van 17 maart 2015 door de Commandant KMar district Zuid afgewezen. Namens betrokkene is bij brief van 17 april 2015 bezwaar gemaakt tegen het innemen van de t-tag en tegen het besluit van 17 maart 2015.

1.3.

Bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft appellant beslist op het bezwaar tegen het innemen van de t-tag. Aan betrokkene worden alsnog met terugwerkende kracht de toegenomen reiskosten voor het gebruik van de Westerscheldetunnel ten bedrage van gemiddeld € 167,20 per maand over een afbouwperiode van drie maanden toegekend; dit betreft een bedrag van totaal € 501,60. Voor het overige heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard en betrokkene een vergoeding van € 980,- voor kosten van juridische bijstand toegekend. Bij besluit van 27 oktober 2015 (bestreden besluit 2) heeft de minister

- die bevoegd gezag is ter zake van de toepassing de hardheidsclausule - de afwijzing van het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule gehandhaafd en het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak bestreden besluit 2 in stand gelaten, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant aan betrokkene een bedrag vergoedt van € 1.504,80 als afbouwregeling. Daartoe heeft de rechtbank over bestreden besluit 2 overwogen dat de door betrokkene genoemde omstandigheden onvoldoende zijn om te spreken van een dusdanig geval dat toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is. De reiskostenvergoeding houdt immers een tegemoetkoming in en niet een volledige vergoeding van reiskosten. Voor alle 124 medewerkers is op gelijke wijze een nieuwe berekening gemaakt. Dat de berekening voor betrokkene en twee andere medewerkers ongunstiger uitpakt dan voor de andere 121 medewerkers is op zichzelf onvoldoende om van een uitzonderlijk geval te spreken. Over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het vertrouwen dat betrokkene mocht ontlenen aan de toekenningspraktijk en de informatie die hij hierover bij navraag voorafgaand aan zijn keuze voor [vestigingsplaats brigade] had verkregen, een langere afbouwperiode van een jaar, in plaats van drie maanden, had moeten worden toegekend.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is erop gericht dat het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 ongegrond wordt verklaard en dat betrokkene de door de rechtbank toegekende vergoedingen, die inmiddels aan hem zijn uitbetaald, moet terugbetalen.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene betreft bestreden besluit 2. Hij stelt dat de minister hem op grond van de hardheidsclausule vergoeding moet geven van de kosten van het gebruik van de Westerscheldetunnel over zijn volledige plaatsingsperiode van drie jaar in [vestigingsplaats brigade] .

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het VKBD wordt in dit besluit verstaan onder ‘afstand’: “(…) b. bij gebruik van ander vervoer dan openbaar vervoer: het aantal kilometers gemeten langs de gebruikelijke openbare weg te bepalen aan de hand van een bij ministeriële regeling vastgestelde routeplanner (…)”.

4.1.2.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van het VKBD heeft de defensieambtenaar aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen over de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt, hij dagelijks reist, en indien hij militair is tevens een eigen huishouding voert.

4.1.3.

Ingevolge artikel 31 van het VKBD kan de minister van de artikelen 2 tot en met 29 afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regelgeving beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het VKBD en de Verplaatsingskostenregeling defensie (VKRD) geen ruimte bieden voor vergoeding van tolgelden. Op grond van een mandaatbeschikking werden de tolgelden toch vergoed. Met ingang van 1 augustus 2008 is deze mandaatbeschikking ingetrokken. Bij de brigade in [vestigingsplaats brigade] is de vergoedingenpraktijk desondanks daarna voortgezet tot 1 januari 2015.

4.3.

De rechtbank heeft de toekenning van een langere afbouwperiode dan drie maanden mede gebaseerd op het vertrouwen dat betrokkene mocht ontlenen aan de vergoedingenpraktijk en aan de informatie die appellant aan betrokkene had gegeven voorafgaand aan diens plaatsing in [vestigingsplaats brigade] . Zoals de Raad echter heeft overwogen in een (deels) vergelijkbaar geval (uitspraak van 20 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1538) is er geen grond om te oordelen dat de vergoeding van tolgelden op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden voortgezet. Er is immers geen sprake van een aan betrokkene gedane uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan, inhoudende dat de tolgelden gedurende zijn gehele plaatsingsperiode aan betrokkene zullen worden vergoed. Het feitelijk blijven uitbetalen kan niet op één lijn worden gesteld met zo’n toezegging.

4.4.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

4.5.

Daarmee staat de Raad voor de vraag of de minister het verzoek van betrokkene om toepassing van de hardheidsclausule vervat in artikel 31 van het VKBD had moeten honoreren, en betrokkene gedurende zijn hele plaatsingsperiode van drie jaar in [vestigingsplaats brigade] de tolgelden had moeten vergoeden, zoals betrokkene in zijn incidenteel hoger beroep heeft bepleit.

4.6.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat in zijn geval sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard heeft betrokkene het volgende naar voren gebracht. De praktijk van het verstrekken van de t-tags voor de tunnel bestond al sinds 2003. Ook nadat de minister van Defensie in 2008 had besloten om het gebruik van de tunnel niet meer te vergoeden is men bij de brigade in [vestigingsplaats brigade] doorgegaan met het verstrekken van t-tags, wat erop neer kwam dat de tolkosten van alle medewerkers die voor woon-werkverkeer gebruikmaakten van de Westerscheldetunnel volledig werden vergoed. Deze praktijk is destijds - gegeven zijn voorkeur om in [woonplaats] te blijven wonen - (mede) bepalend geweest voor zijn keuze voor [vestigingsplaats brigade] als plaats van zijn tewerkstelling. Het plotselinge beëindigen van deze toekenningspraktijk heeft, ook indien rekening wordt gehouden met de bij bestreden besluit 1 alsnog toegekende afbouwperiode van drie maanden, forse financiële gevolgen voor betrokkene, waarop hij zich niet kon voorbereiden. Voor veruit de meeste collega’s (120 van de 123 medewerkers) die gebruikmaakten van de t-tag geldt dat zij voldoende gecompenseerd worden, of er zelfs financieel op vooruitgaan. Dit komt doordat aan hen - in plaats van de

T-tag-faciliteit - de door de routeplanner berekende omrijkilometers over Antwerpen worden vergoed. Bij betrokkene komen deze omrijkilometers geheel voor eigen rekening.

4.7.

De minister heeft hier tegenover gesteld dat het gegeven dat betrokkene de extra tegemoetkoming in de vorm van het beschikbaar hebben van een t-tag, dan wel een vergoeding van omrijkilometers, misloopt het gevolg is van zijn keuze van [woonplaats] als woonplaats. Betrokkene kan doordeweeks ook gebruikmaken van de legeringsfaciliteiten in de kazerne te [vestigingsplaats kazerne]. Bovendien wordt betrokkene niet gedwongen om de route te rijden die volgens de routeplanner wordt vergoed. Betrokkene is nog steeds vrij om de kortere route door de Westerscheldetunnel te nemen (wat hij in de praktijk ook doet), zij het dat de tolkosten nu voor zijn eigen rekening zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tegemoetkoming voor alle medewerkers op dezelfde wijze is berekend. Dat bij betrokkene de extra kosten voor zijn eigen rekening komen is geen onbillijkheid van overwegende aard, aldus de minister.

4.8.

Met de minister en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door betrokkene in zijn incidenteel hoger beroepschrift aangevoerde omstandigheden geen onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 31 van het VKBD opleveren, op grond waarvan de minister aan hem een hogere vergoeding had moeten toekennen dan de afbouwvergoeding van drie maanden die hem is toegekend. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog aangevoerd dat zijn wens om in [woonplaats] te blijven wonen en om dagelijks heen en weer te rijden tussen [woonplaats] en [vestigingsplaats brigade] , mede is ingegeven door de extra zorg die zijn autistische dochter nodig heeft. De Raad heeft moeten vaststellen dat de gedingstukken geen enkele aanwijzing bevatten dat appellant zich eerder op deze bijzondere omstandigheid heeft beroepen; voorts is niet gebleken dat hij deze omstandigheid niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Het gevolg van een en ander is geweest dat de minister ter zitting niet op deze omstandigheid heeft kunnen reageren. Nu deze omstandigheid zo laat is aangevoerd, brengt de goede procesorde mee dat de Raad aan dit betoog voorbij moet gaan, daargelaten welke betekenis deze omstandigheid voor de toepasselijkheid van de hardheidsclausule gehad zou kunnen hebben.

4.9.

Uit het vorenstaande volgt het incidenteel hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

26 oktober 2015 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en aan betrokkene een langere

afbouwperiode is toegekend, met bepalingen over griffierecht en proceskosten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

HD