Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
16/3239 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht lager vastgesteld. Terugvordering. Onvoldoende verantwoording. De door appellanten aangevoerde omstandigheden maken niet dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/3239 AWBZ, 16/3240 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2016, 15/1411 en 15/1412 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] (appellant 1) en [appellant 2] (appellant 2), beiden te [woonplaats]

Zorgkantoor Friesland B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 20 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Namens appellanten zijn verschenen mr. Faber en de vader van appellanten, [naam vader] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant 1 op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 30.602,16 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant 2 op grond van de Rsa voor het jaar 2013 een pgb verleend van € 33.638,12 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

1.3.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant 1 voor het jaar 2013 vastgesteld op € 23.406,03. Van appellant 1 wordt een bedrag van € 7.196,13 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 23 september 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant 2 voor 2013 vastgesteld op € 29.994,57. Van appellant 2 wordt een bedrag van € 3.643,55 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 26 februari 2015 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het Zorgkantoor de door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft hieraan, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellanten hun zorgverlener [naam] (deels) niet giraal hebben betaald, terwijl contante betalingen niet zijn toegestaan. Uit de overgelegde kwitanties blijkt niet dat daadwerkelijk contante betalingen aan [naam] zijn verricht. Voor appellant 2 geldt bovendien dat de gestelde betalingen aan [naam] door middel van verrekening met een schuld aan de vader, niet zijn toegestaan. Dat bij eerdere controles van het Zorgkantoor dergelijke contante betalingen wel zouden zijn goedgekeurd doet - wat daar ook van zij - niet af aan de verplichting tot girale betaling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), deze bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het Zorgkantoor in de bestreden besluiten het lager vaststellen van het pgb over 2013 niet heeft gemotiveerd. Volgens de rechtbank heeft het Zorgkantoor na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van de pgb’s. Het algemene belang dat gemeenschapsgeld op een juiste manier aan AWBZ-zorg wordt besteed, is groter dan het persoonlijk belang van appellanten in deze situatie.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten 1 en 2 in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgronden van appellanten beperken zich tot de belangenafweging die het Zorgkantoor op grond van artikel 3:4 van de Awb bij de uitoefening van de bevoegdheid tot lagere vaststelling van het pgb in acht dient te nemen.

4.2.

Met de rechtbank en het Zorgkantoor is de Raad van oordeel dat de door appellanten aangevoerde omstandigheden niet maken dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Met de door appellanten overgelegde declaratieformulieren en kwitanties is niet aannemelijk gemaakt dat zij uit hun pgb meer aan [naam] hebben betaald voor verleende zorg, dan het bedrag dat het Zorgkantoor reeds heeft goedgekeurd. Appellant 1 heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat de door hem gestelde contante betalingen aan [naam] daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. In het geval van appellant 2 zijn deels girale betalingen door zijn vader aan [naam] gedaan, waarbij op de bankafschriften is vermeld dat op de overgemaakte bedragen voor betaling pgb bedragen zijn ingehouden voor huur en betaalde rekeningen. Volgens appellant 2 is hierbij deels sprake van betaling vanuit het pgb van appellant 2 voor door [naam] geleverde
AWBZ-zorg en deels van verrekening van een schuld van [naam] aan de vader. Nog daargelaten of een dergelijk vorm van verrekening met betalingen vanuit een pgb mogelijk is, ontbreekt een concrete onderbouwing van de gestelde schuld en de verrekening daarvan. Het Zorgkantoor heeft het belang van de handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellanten.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.H. Budde

AB