Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15-7200 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen op grond van niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7200 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 september 2015, 14/8686 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.W. Verberkmoes, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verberkmoes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 29 augustus 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een fraudemelding dat appellante op 26 mei 2014 tijdens een strafrechtelijk verhoor onder meer heeft verklaard dat zij vanaf november 2013 werkzaamheden heeft verricht voor [eenmanszaak] , de eenmanszaak van haar partner [naam partner] , heeft een medewerker van de unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, bankafschriften gevorderd en onderzocht en informatie op internet geraadpleegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 7 juli 2014.

1.3.

Bij besluit van 15 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 1 november 2013 tot en met 31 mei 2014 tot een bedrag van € 8.221,27 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de op geld waardeerbare activiteiten die appellante heeft verricht voor [eenmanszaak] . Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting loopt de periode in geding van 1 november 2013 tot 27 mei 2014.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden waarvan zij melding had moeten doen. Zij heeft slechts haar partner geholpen met kleine vertaalwerkzaamheden en heeft daarvoor geen inkomsten ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.2.2.

Appellante heeft op 26 mei 2014 verklaard dat zij van november 2013 tot en met januari 2014 als tussenpersoon heeft gefungeerd tussen het bedrijf [naam bedrijf] van

[naam] en [eenmanszaak] . Zij heeft in dat verband stukken vertaald vanuit de Engelse naar de Filipijnse taal, in bijzijn van [naam partner] met [naam] gesprekken in het Engels gevoerd en e-mailcontact met [naam] onderhouden. Appellante kreeg van [naam bedrijf] naast de vaste loongegevens de dagen, uren en persoonsgegevens van de werknemers door voor de loonverwerking. Zij heeft de loonverwerking niet zelf gedaan, maar stuurde de gegevens door naar [naam partner] . Appellante heeft in maart 2014 nog een telefoongesprek met [naam] gevoerd over een werknemer van [naam bedrijf] , waarbij zij heeft meegedeeld dat zij geen inzage meer had in de loonstroken omdat de SIOD alles had meegenomen. Appellante heeft naar aanleiding van vragen van de advocaat van [naam bedrijf] , [naam advocaat] , zaken uitgezocht en de door [naam advocaat] gevraagde stukken in overleg met [naam partner] naar [naam advocaat] gezonden. De gegevens die zij van [naam advocaat] had ontvangen heeft zij afgestemd met [naam] . Appellante heeft verklaard dat zij vanaf november 2013 het relatiebeheer heeft gedaan voor [naam bedrijf] . Vanaf januari 2014 is zij klantbeheerder geworden van nog drie andere klanten van [eenmanszaak] . Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij ook telefonisch acquisitiewerkzaamheden heeft verricht.

4.2.3.

Uit de in 4.2.2 genoemde verklaringen van appellante blijkt dat zij in de te beoordelen periode diverse activiteiten voor [eenmanszaak] heeft verricht. Gelet op de aard en de omvang van de activiteiten van appellante is sprake van het verrichten van op geld waardeerbare arbeid. De stelling dat zij geen inkomsten heeft ontvangen, betekent niet dat de activiteiten van appellante voor [eenmanszaak] niet als op geld waardeerbare arbeid kunnen worden aangemerkt.

4.3.

Appellante heeft geen melding gemaakt van de door haar voor [eenmanszaak] verrichte werkzaamheden. Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat haar activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellante is daarin niet geslaagd. Appellante heeft geen administratie bijgehouden van de door haar verrichte werkzaamheden. Het door appellante in hoger beroep overgelegde overzicht van e-mailberichten en de daaraan volgens appellante bestede tijd, is onvoldoende om de omvang van de activiteiten zoals deze onder 4.4 zijn vermeld te kunnen vaststellen. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden van appellante niet, ook niet bij benadering, is vast te stellen, heeft het college terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.6.

Appellante heeft nog aangevoerd dat de intrekking en terugvordering onevenredig zijn. Gelet op haar financiële situatie is zij niet in staat tot terugbetaling. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat voor een belangenafweging, gelet op het verplichte karakter van de intrekking en de terugvordering als neergelegd in artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de WWB, geen ruimte bestaat.

4.7.

Appellante heeft zich nog beroepen op dringende redenen om van terugvordering af te zien en daartoe eveneens gewezen op haar slechte financiële situatie.

4.7.1.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB, zoals dat luidt vanaf 1 januari 2013, kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457, heeft overwogen, kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Met de enkele stelling dat appellante in de financiële problemen komt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen als hier bedoeld.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

HD