Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15-5063 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet bevoegd tot buiten behandeling stellen van een aanvraag (4:5 Awb). Betrokkene heeft overzicht verstrekt van de hypotheekschuld. Als college objectieve en verifieerbare gegevens had willen zien, hadden ze dat concreet moeten vermelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5063 WWB, 17/460 WWB

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 juni 2015, 15/1003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op

31 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Namens betrokkene heeft mr. K.C.M. van den Hoek een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door K.W.H. Hulsen. Namens betrokkene is verschenen

mr. Van den Hoek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft op 27 mei 2014 bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en daarbij als gewenste ingangsdatum 28 april 2014 opgegeven. Bij brief van 24 juni 2014 heeft appellant aan betrokkene gevraagd om de in die brief genoemde gegevens vóór 4 juli 2014 te verstrekken, waaronder bewijsstukken waaruit blijkt wat de huidige hypotheekschuld bedraagt. Betrokkene heeft niet op deze brief gereageerd. Bij brief van

15 juli 2014 heeft appellant opnieuw verzocht dezelfde gegevens te verstrekken en betrokkene daarbij een termijn gesteld tot 24 juli 2014. Hierbij heeft het college onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Betrokkene heeft, op zijn verzoek, bij brief van 22 juli 2014 van appellant tot 4 augustus 2014 uitstel gekregen om de gevraagde stukken in te leveren. Op

31 juli 2014 heeft betrokkene per e-mailbericht een zelfgemaakt exceloverzicht verstrekt, met daarin vermeld het bedrag van de openstaande hypotheekschuld per 1 januari 2014, te betalen rentepercentages, het bedrag aan jaarrente en het bedrag aan maandrente. Betrokkene heeft daarnaast twee brieven van de ING van 10 januari 2014 overgelegd, waarin is vermeld dat betrokkene op beide leningdelen extra heeft afgelost en waarin nieuwe aflossingsbedragen per 1 februari 2014 en 1 maart 2014 zijn vermeld. Op deze brieven heeft betrokkene met pen de nog openstaande hypotheekschuld berekend, welk bedrag overeenkomt met het bedrag op zijn exceloverzicht.

1.2.

Bij besluit van 7 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit), heeft appellant de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens met betrekking tot de hoogte van de hypotheekschuld heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet bevoegd was om tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag van betrokkene over te gaan. Appellant heeft de door betrokkene verstrekte gegevens onvoldoende geacht om inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellant voorafgaand aan zijn aanvraag. In de motivering van het bestreden besluit ligt besloten dat het college wel inhoudelijk op de aanvraag kon beslissen maar stelt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat de verstrekte gegevens niet objectief en verifieerbaar zijn. De vraag of de overgelegde stukken ter onderbouwing van de gestelde financiële situatie voldoende objectief en verifieerbaar zijn, betreft naar het oordeel van de rechtbank niet het bieden van inzicht in de financiële situatie zelf maar is een kwestie van bewijswaardering die in een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag aan de orde kan komen. Appellant dient daarom alsnog tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag over te gaan.

3.1.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Bij het nader besluit heeft appellant aan betrokkene van 28 april 2014 tot 18 augustus 2014 bijstand toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nader besluit wordt op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een incomplete aanvraag, omdat betrokkene geen bewijsstukken heeft overgelegd die zien op de actuele hypotheekschuld. Om die reden kon volgens appellant niet inhoudelijk op de aanvraag van betrokkene worden beslist en is toepassing gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan nog toe dat niet kan worden gezegd, zoals ter zitting door appellant aangevoerd, dat de overgelegde stukken in het geheel niet zien op de actuele situatie van de hypotheekschuld. Uit het exceloverzicht blijkt in ieder geval de stand van de hypotheekschuld per 1 januari 2014 en betrokkene heeft op de ING brieven met pen een berekening gemaakt van de hypotheekschuld. Indien appellant objectieve en verifieerbare bewijzen, zoals bijvoorbeeld een overzicht van de bank, van betrokkene had willen ontvangen met daarin de actuele stand van de hypotheekschuld, had het op de weg van appellant gelegen om daarom in de brief van 15 juli 2014 te vragen. Appellant heeft ter zitting verklaard dat de brieven die nu door hem worden gebruikt ook in die zin zijn aangepast.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Door het nemen van het nader besluit heeft appellant uitvoering gegeven aan de opdracht in de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A. Mansourova

HD