Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15/7595 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met verzwijgen van vestigen van erfdienstbaarheid op een perceel. Vestigen zakelijk recht is op geld waardeerbaar. Wordt belasting voor betaald.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7595 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 oktober 2015, 15/2384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2017. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.V. Tuchkova.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 18 mei 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 8 mei 2000 is aan appellanten bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 26 november 2001 is de bijstand ingetrokken wegens inkomsten uit arbeid. Met ingang van 26 augustus 2004 is aan appellanten opnieuw bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie dat appellant in de periode 2002 tot en met 2007 grote bedragen aan geld heeft overgemaakt naar het buitenland, heeft de afdeling handhaving van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (afdeling handhaving) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft de afdeling handhaving aan het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijk vermogen/onroerend goed van appellanten in Turkije. Het onderzoek is uitgevoerd door het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara, Turkije (het Bureau Attaché). De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksverslag van 25 juni 2013 (onderzoeksverslag).

1.3.

Appellante is op 6 en 10 juni 2014 verhoord en appellant op 19 en 20 juni 2014.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten met ingang van

18 mei 1997 ingetrokken. Aan de intrekking heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met de inlichtingenverplichting niet hebben doorgegeven dat zij onroerend goed bezitten in Turkije en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat zij op het aanvraagformulier van 7 juni 2004 de vraag of zij bezittingen hebben in het buitenland bevestigend hebben beantwoord. Bovendien is door die beantwoording de verjaringstermijn gaan lopen en is de vordering van het dagelijks bestuur verjaard.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook al door de rechtbank is vastgesteld is bij vraag 18 van het aanvraagformulier van 7 juni 2004 of er onroerend goed of overige bezittingen zijn in Nederland of in het buitenland, waarbij met name bezittingen in het buitenland zoals grond en een huis zijn genoemd, het hokje met “nee” aangekruist. Het aangevoerde met betrekking tot verjaring slaagt al om die reden niet.

4.3.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat zij slechts een zakelijk recht op een perceelgrond bezitten. Het vestigen van een erfdienstbaarheid kan niet worden gekwalificeerd als een op geld te waarderen vermogensbestanddeel en daarom hadden zij hiervan geen melding hoeven doen.

4.4.

Uit het onderzoeksverslag met bijlagen blijkt dat op naam van appellante op 25 oktober 1996 drie keer een erfdienstbaarheid is gevestigd op het perceel [nummer 1] voor een aandeel van achtereenvolgens [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] . Daarbij is steeds omschreven dat het gaat om een recht op te vestigen appartementsrecht voor een woning. Het vestigen van een zakelijk recht kan op geld worden gewaardeerd en dient daarom te worden gemeld. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat in ieder geval ten tijde van het onderzoek op dat perceel een werkplaats met daarboven een woning zijn opgericht. Appellante doet belastingaangifte voor de woning, werkplaats en bouwgrond op het perceel [nummer 1] . Voor de aandelen van perceel [nummer 1] die op naam van appellante staan is een belastingwaarde vastgesteld. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat die aandelen een op geld waardeerbaar vermogensbestanddeel zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

4.5.

Ten slotte hebben appellanten aangevoerd dat de waarde van het onroerend goed per datum bijstand vastgesteld kan worden aan de hand van het inflatierekenprogramma van de Turkse Centrale Bank.

4.6.

De beroepsgrond kan niet slagen al om de reden dat, zoals uit 4.4 blijkt, niet kan worden vastgesteld wanneer de opstallen op het perceel [nummer 1] zijn opgericht. Bovendien hebben appellanten daarover geen duidelijkheid verschaft. Appellanten hebben in hoger beroep aangegeven nog nadere informatie in het geding te brengen over de waarde van het onroerend goed. Deze informatie is echter niet verstrekt.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD