Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15/6094 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitbetaling van opgebouwd levenslooptegoed moet als inkomen bij de bijstand in aanmerking worden genomen over de maand van uitbetaling. Boete: geen verminderde verwijtbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18a
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/223
JWWB 2017/287
USZ 2017/394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6094 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 juli 2015, 14/3392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (college)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2017. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. IJsselmuiden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 augustus 2013 bijstand. Naar aanleiding van een signaal van het inlichtingenbureau van 5 februari 2014, dat appellante in de maand november 2013 inkomsten uit de afkoop van pensioen van de ING-Bank heeft ontvangen ter hoogte van

€ 6.456,39 bruto, heeft het college bij brief van 4 maart 2014 appellante verzocht nadere gegevens te verstrekken. Na ontvangst van deze nadere gegevens is gebleken dat appellante een levenslooptegoed heeft laten uitkeren en dat zij op 27 november 2013 een bedrag van

€ 3.742,87 netto heeft ontvangen. Hiervan had appellante eerder geen melding gedaan bij het college.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2014 (besluit 1) heeft het college de bijstand die appellante

ontving over de maand november 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.412,- van appellante teruggevorderd. Het college heeft een

deel van het bedrag dat is uitgekeerd aan levensloop aangemerkt als inkomen over de maand november 2013 tot de hoogte van de voor appellante geldende bijstandsnorm in die maand, te weten een bedrag van € 1.412,- bruto. Het restant van het uitgekeerde bedrag aan levensloop heeft het college als vermogen aangemerkt en daarmee het vrij te laten vermogen opnieuw vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 17 april 2014 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 1.056,65 wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.4.

Bij besluit van 16 juli 2014 heeft het college de bezwaren tegen besluit en besluit 2

ongegrond verklaard.

1.5.

Tijdens de beroepsprocedure heeft het college op 12 maart 2015 een nieuw besluit op

bezwaar (bestreden besluit) genomen onder intrekking van het besluit op bezwaar van 16 juli 2014. Het college heeft bij het bestreden besluit het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond en het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op een bedrag van
€ 528,33. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij niet uit eigen beweging melding heeft gedaan van de uitbetaling van het levenslooptegoed in november 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak

gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Intrekking

4.1.

Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college terecht de bijstand over de maand november 2013 heeft ingetrokken.

4.2.

Appellante heeft betoogd dat het college ten onrechte (een deel van) het uitgekeerde bedrag aan levensloop als inkomen heeft aangemerkt en toegerekend aan de maand november 2013. Dit betoog slaagt niet.

4.3.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet, zoals dit artikellid op 31 december 2011 luidde opgebouwde voorziening.

Artikel 32, eerste lid, van de WWB bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, (…) dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.4.

De in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB opgenomen uitzondering voorziet er in dat het recht op bijstand niet wordt getoetst aan het opgebouwde levenslooptegoed teneinde een gedwongen opname van het levenslooptegoed te voorkomen. Anders dan appellante meent, is deze uitzondering beperkt tot het opgebouwde levenslooptegoed en ziet deze niet op de uitbetaling van een deel hiervan.

4.5.

Gelet op het doel van de levensloopregeling, het opbouwen van een spaartegoed dat voorziet in een inkomen tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof, komt een uitkering uit het levenslooptegoed naar zijn aard overeen met inkomsten uit of in verband met arbeid. Dit is niet anders bij de uitbetaling ineens van het opgebouwde tegoed aan levensloop. Deze inkomsten kunnen worden aangewend ter voorziening in de bestaanskosten en hebben betrekking op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het college het op 27 november 2013 aan appellante uitbetaalde bedrag aan opgebouwd levenslooptegoed terecht als inkomen in de maand november 2013 in mindering heeft gebracht op de bijstandsnorm, waardoor het recht op bijstand in die maand nihil was.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst op 27 november 2013 van de uitkering van het levenslooptegoed. Deze grond slaagt niet. Op grond van artikel 17 van de WWB rust op de bijstandsgerechtigde de verplichting om aan het college op verzoek en onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de uitbetaling van het levenslooptegoed van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Dat appellante van mening was dat de ontvangst van dit bedrag bij beoordeling van haar recht op bijstand buiten beschouwing kon blijven, dan wel zou worden aangemerkt als vermogen en zij daarmee de vermogensgrens niet zou overschrijden, ontslaat haar niet van de verplichting de informatie aan het college door te geven. De inhoud van het door haar overgelegde e-mailbericht, waarvan de datum onleesbaar is gemaakt, afkomstig van een ambtenaar van de gemeente Heemstede, gericht aan appellante, naar aanleiding van een telefonisch onderhoud, leidt niet tot een andere conclusie. In dit e-mailbericht wordt onder verwijzing naar en overeenkomstig de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB medegedeeld dat de conclusie zou moeten zijn dat de opgebouwde levensloopgelden als middel buiten beschouwing moeten worden gelaten, wat, gelet op wat in 4.4 is overwogen, een juiste constatering is.

4.8.

Gelet op wat in 4.6 en 4.7 is overwogen was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht de bijstand in te trekken over de maand november 2013. De aangevoerde beroepsgrond dat de intrekking onevenredig is slaagt niet. Voor toetsing van het besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat, gelet op het verplichtende karakter van het besluit tot intrekking op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, geen ruimte.

De terugvordering

4.9.

Gelet op wat in 4.8 is overwogen was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB verplicht de kosten van bijstand over de maand november 2013 terug te vorderen.

4.10.

De beroepsgrond dat de terugvordering onevenredig is, omdat sprake is van geen of verminderde verwijtbaarheid, slaagt niet. Voor toetsing van het besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bestaat, gelet op het verplichtende karakter van het besluit tot terugvordering op grond van 58, eerste lid, van de WWB, geen ruimte. In wat appellante heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college op grond van dringende redenen had dienen af te zien van terugvordering.

De boete

4.11.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat bij Wet van 23 augustus 2016 tot wijziging van de

socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete (Stb. 2016, 318), in werking getreden op 1 januari 2017, artikel 18a van de Participatiewet (PW) is gewijzigd in lijn met de rechtspraak van de Raad. Tevens is per dezelfde datum in werking getreden het Besluit van 19 september 2016 houdende wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met de mogelijkheid van een waarschuwing en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Stb. 2016, 342) (Boetebesluit).

4.11.1.

Op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn bij wijziging van wetgeving nadat een overtreding is begaan de meest gunstige bepalingen voor de overtreder van toepassing. Daar waar artikel 18a van de PW en het Boetebesluit per 1 januari 2017 voorzien in een lichtere bestraffende sanctie zal hieraan toepassing moeten worden gegeven.

4.11.2.

Op grond van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van het Boetebesluit wordt de boete bij opzet vastgesteld op 100% van het benadelingsbedrag, bij grove schuld op 75%, bij normale verwijtbaarheid op 50% en bij verminderde verwijtbaarheid op 25% van het benadelingsbedrag. Op grond van het tiende lid van dit artikel berust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. In artikel 2a van het Boetebesluit zijn criteria opgenomen die bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten een rol spelen.

4.12.

In artikel 2aa, eerste lid, onder a, van het Boetebesluit is opgenomen dat het college kan afzien van het opleggen van een boete en volstaan met een waarschuwing indien het benadelingsbedrag € 0,- is of niet hoger dan € 150,-.

4.13.

Uit dat wat onder 4.7 ten aanzien van het besluit tot intrekking is overwogen, volgt dat het college heeft aangetoond dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de uitkering op 27 november 2013 van het levenslooptegoed. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is de schending van de inlichtingenverplichting haar te verwijten, omdat het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de uitkering van het levenslooptegoed van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Dit betekent dat het college op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW in beginsel was gehouden aan appellante een boete op te leggen.

4.14.

Onder het benadelingsbedrag, zoals volgt uit artikel 18a, tweede lid, van de PW, wordt verstaan het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Mede gelet op dat wat is overwogen onder 4.8 en 4.9 volgt dat het benadelingsbedrag overeenkomt met de voor appellante geldende bijstandsnorm in de maand november 2013, te weten een bedrag van

€ 1.056,65 netto. Nu er sprake is van een benadelingsbedrag van meer dan € 150,- heeft het college ingevolge artikel 18a, vierde lid, van de PW en artikel 2aa van het Boetebesluit niet de bevoegdheid om een waarschuwing te geven.

4.15.

Bij het bestreden besluit is het college bij de afstemming in het kader van de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van normale verwijtbaarheid en is de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Appellante heeft aangevoerd dat bij het opleggen van de boete in onvoldoende mate rekening is gehouden met de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de draagkracht. In dit kader heeft zij aangevoerd dat de uitkering van het levenslooptegoed eenmalig was, dat zij pas net in de bijstand zat en dat zij in een benarde financiële positie verkeerde met schulden die opliepen tot € 30.000,-.

4.16.

De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van verminderde verwijtbaarheid, zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit, uit te gaan. Bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid is het college daarom terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid, zodat in dit geval een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Voorts volgt uit de door appellante in hoger beroep verstrekte financiële gegevens - en onder verwijzing naar de overwegingen 5.9 en 5.10 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12 - dat zij in staat is de haar opgelegde boete van € 528,33 binnen twaalf maanden te voldoen.

4.17.

Uit 4.11 tot en met 4.15 volgt dat de bij het bestreden besluit aan appellante opgelegde boete evenredig is.

Conclusie

4.18.

Uit 4.8 tot en met 4.10 en 4.17 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

AB