Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15-8089 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand in maanden waarop kentekenregistratie is beëindigd. Boete: schending inlichtingenplicht aangetoond. Matigen in verband met draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8089 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 oktober 2015, 14/9139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 9 september 2008 bijstand, ten tijde hier van belang, op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een door appellant ingediende aanvraag om langdurigheidstoeslag 2013 heeft een klantmanager van de gemeente Rotterdam (klantmanager) via Suwinet gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat vanaf 3 november 2005 veertien kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd stonden, waarvan zeven slechts enkele dagen tot enkele weken. Bij brieven van 23 april 2013, 28 oktober 2013 en 12 maart 2014 heeft de klantmanager appellant verzocht om aan- en verkoopbewijzen, bewijsstukken met betrekking tot de opbrengst uit de verkoop van de auto’s en vrijwaringsbewijzen van de auto’s te verstrekken. Appellant verstrekte hierop één vrijwaringsbewijs van een auto die in juni 2012 op zijn naam heeft gestaan en deelde, bij brief van 2 mei 2014, mee dat hij geen vrijwaringsbewijzen en aan- en verkoopbewijzen meer had. Hij heeft verder verklaard dat de auto’s voor eigen gebruik waren en oudere auto’s betroffen met weinig tot geen dagwaarde, dat veel auto’s niet zijn doorverkocht maar naar de sloop zijn gebracht omdat reparatie te duur was en dat hij twee auto’s heeft gekocht voor familie in Rusland die zijn geëxporteerd naar het buitenland. Appellant heeft tevens gegevens met betrekking tot een op 15 oktober 2013 geëxporteerde personenauto verstrekt.

1.3.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 26 mei 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant vanaf 1 december 2009 herzien (lees: ingetrokken) over de maanden december 2009, februari en mei 2010, april en oktober 2011, juni 2012 en oktober 2013) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.430,78 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 18 juli 2014 (besluit 2) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 6.430,78.

1.5.

Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van auto’s die slechts enkele dagen of enkele weken op zijn naam geregistreerd stonden. Omdat appellant hierover onvoldoende gegevens heeft verstrekt, is het recht op bijstand over de maanden waarin de tenaamstelling van een auto eindigde niet vast te stellen. Bij het opleggen van de boete is het college voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van opzet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft en de boete vastgesteld op € 1.635,49. Daartoe heeft de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de boete een onderscheid gemaakt tussen de periode tot en de periode na 1 januari 2013. Ten aanzien van de periode tot 1 januari 2013 moet worden aangesloten bij het sanctieregime van de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (afstemmingsverordening). Gelet op het benadelingsbedrag van € 5.504,30 in deze periode bedraagt de boete € 935,49, zijnde 100% van de bijstand gedurende één maand. Ten aanzien van de periode na 1 januari 2013 (de maand oktober 2013) bedraagt het benadelingsbedrag € 926,48. De rechtbank is, met het nadere standpunt van het college, van oordeel dat voor de mate van verwijtbaarheid moet worden uitgegaan van grove schuld. Gelet hierop heeft de rechtbank de hoogte van de boete over de periode na 1 januari 2013 vastgesteld op € 700,-, zijnde 75% van het benadelingsbedrag, afgerond op een veelvoud van € 10,-.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437), volgt uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden.

4.2.

Op grond van de in 1.2 vermelde gegevens van de RDW staat vast dat appellant herhaaldelijk direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s. Daarmee is aannemelijk dat appellant is opgetreden als tussenpersoon bij handelstransacties ten aanzien van die auto’s. Immers, naar vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) wordt de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.

4.3.

De beroepsgrond dat uit de in bezwaar overgelegde verklaringen van [naam 1] en van [naam 2] blijkt dat ten aanzien van vijf van de zeven in geding zijnde auto’s sprake is geweest van een vriendendienst waaruit appellant geen inkomsten of financieel voordeel heeft genoten, slaagt niet. De verklaringen van voornoemde personen zijn bij gebrek aan een concrete onderbouwing aan de hand van objectieve gegevens onvoldoende verifieerbaar. Daarbij komt dat deze verklaringen afwijken van de, in 1.2 vermelde, eigen verklaring van appellant dat hij de in geding zijnde auto’s voor eigen gebruik dan wel voor familie had gekocht.

4.4.

Appellant had melding moeten maken van wijzigingen in de tenaamstellingen van de auto’s in geding, aangezien deze gegevens, gelet op het voorgaande, onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellant heeft van zijn herhaaldelijke directe betrokkenheid bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting in verband met het bedrijven van autohandel heeft geschonden.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Omdat appellant van de transacties geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden en hij evenmin stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarde van de desbetreffende auto’s is geweest, kan niet worden vastgesteld of appellant over de maanden waarin die transacties hebben plaatsgevonden recht had op (aanvullende) bijstand.

4.6.

Gelet op 4.2 tot en met 4.5 was het college gehouden de bijstand over de in 1.3 genoemde maanden in te trekken.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

Boete

4.8.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting over de in 1.3 genoemde maanden geen recht op bijstand heeft. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), brengt dit gelet op artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden echter niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in dit geding over de boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Het college dient aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete op te leggen en het college zal in dit geval moeten aantonen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het hebben van kentekens op zijn naam en het niet melden van de daaruit voortvloeiende transacties. Anders dan ten aanzien van de intrekking en terugvordering is dus niet voldoende dat het college slechts aannemelijk heeft gemaakt dat appellant die kentekens op zijn naam had staan.

4.9.

Het college heeft aan de hand van de gegevens van de RDW aangetoond dat ten tijde in geding voertuigen op naam van appellant hebben gestaan en dat zich wijzigingen in de tenaamstelling hebben voorgedaan. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat appellant direct betrokken is geweest bij transacties van diverse auto’s. Gelet op wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, is een en ander onmiskenbaar van belang voor de bijstandsverlening. Appellant heeft echter verzuimd daarvan melding te maken bij het college. Daarmee heeft het college aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het betoog van appellant dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden is onvoldoende onderbouwd. Van de schending van inlichtingenverplichting valt hem ook een verwijt te maken.

4.10.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met inachtneming van het feit dat per 1 januari 2017 de tekst van artikel 18a van de Participatiewet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten zijn gewijzigd.

4.11.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college zich nader op het standpunt gesteld dat voor de mate van verwijtbaarheid moet worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid, wat resulteert in een lagere boete. Reeds hierom dient de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 1.635,49, te worden vernietigd.

4.12.

Het college heeft zich, bij afwezigheid van omstandigheden die een afwijking daarvan naar boven rechtvaardigen, terecht nader op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid zodat in dit geval een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. De beroepsgrond dat het college bij het opleggen van de boete had moeten uitgaan van verminderde verwijtbaarheid slaagt niet, reeds omdat appellant deze stelling niet nader heeft onderbouwd.

4.13.

Ten aanzien van de hoogte van de boete voor wat betreft de periode tot 1 januari 2013 heeft de rechtbank terecht aansluiting gezocht bij het sanctieregime van de afstemmingsverordening en op goede gronden de boete vastgesteld op het in 2 vermelde bedrag van € 935,49, zijnde 100% van de bijstand gedurende één maand, wat lager is dan 50% van het benadelingsbedrag over die periode. Voor de niet onderbouwde stelling van appellant dat het bedrag van € 935,49 dient te worden gematigd bestaat geen aanleiding. Anders dan appellant meent, biedt de afstemmingsverordening voorts geen ruimte voor het geven van een waarschuwing bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichting met financieel nadeel. Het benadelingsbedrag over de periode na 1 januari 2013, te weten de maand oktober 2013, bedraagt € 926,48. Dit leidt tot een boetebedrag van € 463,24. Uitgaande van die boetebedragen (€ 935,49 + € 463,24) resulteert dit in beginsel tot een boete van € 1.398,73.

Financiële omstandigheden

4.14.

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen financiële ruimte heeft om de boete te betalen. De rechtbank heeft een boete opgelegd zonder daarbij rekening te houden met zijn draagkracht die tot uitdrukking komt in de vorm van beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet (artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Indien de beslagvrije voet van appellant wel in acht zou zijn genomen, dan is er geen draagkracht voor het opleggen van een boete. Desgevraagd heeft appellant in hoger beroep stukken verstrekt waaruit blijkt dat hij thans beschikt over een inkomen op bijstandsniveau.

4.15.

Zoals eerder overwogen (uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816, en uitspraak van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2486) is de Raad van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete - meer in het bijzonder ten aanzien van de vraag of een boete evenredig is - voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds (en dus in zoverre niet in aansluiting op artikel 475d, vierde lid, van Rv) 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden.

4.16.

Vaststaat dat appellant beschikt over een inkomen op bijstandsniveau. In dat geval geldt voor de berekening van de op te leggen boete als uitgangspunt dat deze zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene, ingeval van normale verwijtbaarheid, bij een fictieve draagkracht van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm, de opgelegde boete over een in tijd begrensde periode van maximaal twaalf maanden kan voldoen. De voor appellant geldende bijstandsnorm bedraagt met ingang van 1 juli 2017 € 1.108,48. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (12 x 10% van € 1.108,48) € 1.330,18. Gelet hierop bestaat in de financiële omstandigheden van appellant aanleiding om de boete verder te matigen dan het bedrag dat in 4.13 is genoemd. De Raad acht een boete van € 1.330,18 passend en geboden.

4.17.

Gelet op 4.10 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het besluit van 18 juli 2014 in zoverre herroepen. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal de boete worden vastgesteld op € 1.330,18. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 december 2014 gegrond en vernietigt dat besluit,

voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- herroept het besluit van 18 juli 2014 voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.330,18 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 december 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 495,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

HD