Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16-437 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met prostitutie. Ingangsdatum activiteiten. Opmaken account biedt geen grondslag voor het vanaf dat moment verrichten van werkzaamheden. Tijdsverloop tussen aanmaken account en plaatsen advertenties is hierbij van belang.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 18a
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 437 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 december 2015, 15/1748 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. M.J. Jansma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansma. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 6 december 1996, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Het prostitutieteam van de regiopolitie Fryslân (politie) heeft in een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2014 aan de gemeente Smallingerland meegedeeld dat tijdens een tactisch onderzoek en het daaropvolgend huisbezoek is gebleken dat appellant vanuit zijn woning een seksinrichting exploiteert en dat hij hieruit inkomsten ontvangt. Aanleiding voor het tactisch onderzoek was een advertentie op [naam site] waarin een vrouw zich beschikbaar stelde voor het verrichten van seksuele handelingen. Deze advertentie was geplaatst vanaf een account met het profiel [profiel] Tactisch onderzoek heeft uitgewezen dat de desbetreffende advertentie was geplaatst door, en in beheer was bij appellant. Het controleteam van de politie heeft vervolgens op 17 januari 2014 een ‘klantafspraak’ gemaakt, waarna een verwijzing volgde naar het adres van appellant,

[adres] . Bij het binnengaan van de woning op dat adres werd appellant aangetroffen. Hij heeft ter plaatse verklaard dat hij de eigenaar is van het bordeel en dat hij de advertenties heeft geplaatst. Uit een gesprek met een prostituee volgt dat zij ruim een maand werkzaam was vanuit de woning van appellant, dat zij € 100,- per klant ontving en dat zij € 50,- daarvan aan appellant gaf.

1.3.

Naar aanleiding van de rapportage van de politie hebben een toezichthouder en een consulent van de gemeente Smallingerland onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben zij bij [BV] , eigenaar van [naam site] , een vordering gedaan tot informatie over geplaatste advertenties onder het nummer van de in 1.2 bedoelde advertentie, [nummer] . Zij hebben voorts appellant op 27 februari 2014 en op 3 april 2014 gehoord. Appellant heeft - voor zover hier van belang - verklaard dat een dame zijn woning gebruikt om klanten te ontvangen, dat hij € 50,- per klant ontving van deze dame en dat het klantencontact via internet tot stand kwam. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 4 april 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten, waaronder die van de politie, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 april 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 19 februari 2013 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

19 februari 2013 tot en met 31 december 2013 van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 12.308,61 bruto. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college. Als gevolg daarvan kan zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5.

Bij brief van 29 april 2014 heeft het college aan appellant te kennen gegeven voornemens te zijn hem een bestuurlijke boete op te leggen en appellant in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarop te geven. Appellant heeft mondeling zijn zienswijze gegeven.

1.6.

Bij besluit van 17 juni 2014 (besluit 2) heeft het college aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 9.607,65, zijnde 100% van het netto benadelingsbedrag.

1.7.

Bij besluit van 25 maart 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij besluit van 28 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 gewijzigd, het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 4.803,83, zijnde 50% van het netto benadelingsbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit tot handhaving van besluit 1, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat primair 27 november 2013, de plaatsingsdatum van de advertentie waarop het tactisch onderzoek van de politie zich richtte, als aanvangsdatum van de werkzaamheden dient te worden genomen, en subsidiair 7 september 2013, de plaatsingsdatum van de eerste advertentie onder zijn profiel op [naam site] . Voor de aanvangsdatum van 19 februari 2013 bestaat volgens appellant geen feitelijke grondslag. Op 19 februari 2013 is alleen het profiel op [naam site] aangemaakt. Hieruit kan niet worden afgeleid dat vanaf die tijd advertenties werden geplaatst.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 19 februari 2013 tot en met 28 april 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn activiteiten in verband met prostitutie niet aan het college te melden. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant deze activiteiten reeds vanaf 19 februari 2013 heeft verricht.

4.4.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag voor het in 4.3 vermelde standpunt van het college. Uit informatie van de [BV] blijkt dat op 19 februari 2013 het account met profiel

[profiel] is aangemaakt. Uit dezelfde informatie blijkt dat onder dit profiel de eerste advertentie is geplaatst op 7 september 2013. Vervolgens zijn onder dit profiel op 18 en

31 oktober 2013 en op 27 november 2013 advertenties geplaatst waarin door verschillende vrouwen seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden. Uit het aanmaken van het account kan, zoals het college terecht heeft aangevoerd, worden afgeleid dat appellant de bedoeling had om advertenties te plaatsen. Gelet echter op het lange tijdsverloop tussen de aanmaakdatum van het account en het plaatsen van de eerste advertentie, biedt het aanmaken van het account geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant reeds op

19 februari 2013 werkzaamheden in verband met prostitutie verrichtte.

4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden wel een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant vanaf 7 september 2013 werkzaamheden in verband met prostitutie heeft verricht. Vanaf 7 september 2013 zijn onder het profiel [profiel] meerdere advertenties geplaatst met het oog op, zoals niet in geschil is, het verdienen van geld met prostitutieactiviteiten. Het college heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat appellant met ingang van die datum op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

4.6.

Appellant heeft van het verrichten van deze werkzaamheden geen mededeling gedaan aan het college. Hierdoor heeft hij de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand vanaf 7 september 2013 niet kon worden vastgesteld. Gelet hierop was het college gehouden de bijstand met ingang van die datum in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 7 september 2013 tot en met 31 december 2013 van appellant terug te vorderen. Voor intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 19 februari 2013 tot en met 6 september 2013 bestaat geen grondslag.

Boete

4.7.

Gelet op 4.5 en 4.6 heeft het college aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door in de periode vanaf 7 september 2013 geen juiste en volledige informatie te verstrekken over de door hem verrichte werkzaamheden in verband met prostitutie. Hiervan kan appellant een verwijt worden gemaakt. Het college was dan ook gehouden om appellant met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 4.803,83 is evenredig aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid.

4.8.

Uit 4.4 vloeit voort dat het college niet heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden in de periode van 19 februari 2013 tot en met

6 september 2013. Voor zover de boete ziet op die periode heeft het college de boete ten onrechte opgelegd.

Conclusie

4.9.

De rechtbank heeft wat in 4.4 tot en met 4.8 is overwogen niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren, bestreden besluit 1 vernietigen voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 19 februari 2013 tot en met 6 september 2013 en de terugvordering als geheel wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Besluit 1 zal worden herroepen voor zover het de intrekking over voormelde periode betreft. De Raad zal voorts het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en bestreden besluit 2 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten en de Raad ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien voor zover het de terugvordering en de boete betreft. De Raad zal daarom het college opdragen een nieuwe beslissing op de bezwaren over de terugvordering en de boete te nemen. Daarbij dient het college met inachtneming van deze uitspraak het terugvorderingsbedrag opnieuw vast te stellen en met inachtneming van deze uitspraak en van de actuele financiële situatie van appellant de boete opnieuw vast te stellen.

4.10.

Nu het slechts nog gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2015 gegrond;

- vernietigt het besluit van 25 maart 2015 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking

over de periode van 19 februari 2013 tot en met 6 september 2013 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 28 april 2014 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking

over de periode van 19 februari 2013 tot en met 6 september 2013;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 april 2015 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 28 april

2014 neemt voor zover het de terugvordering betreft en over de boete met inachtneming van

wat in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.A.E. Bon

HD