Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
15-5105 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:98
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering i.v.m. verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldoende grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf op uitkeringsadres. Te houden aan afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5105 WWB, 16/7053 WWB

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 juni 2015, 13/4345 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Appellant heeft een besluit van het college van 23 juni 2015 (nader besluit) ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 22 augustus 2017 plaatsgevonden. Namens appellant is

mr. Wiebes verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. de Roode.

OVEREGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[naam 1] ([A]) ontving in de periode van 30 augustus 1996 tot en met 3 april 2003 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. De bijstand van [A] is met ingang van 4 april 2003 beëindigd op de grond dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Met ingang van 21 september 2014 ontving [A] opnieuw bijstand, nu op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) die voor de Abw in de plaats is gekomen, naar de norm voor een alleenstaande ouder. [A] stond vanaf 15 juli 1996 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) ingeschreven op het [adres 1] (uitkeringsadres). Appellant stond ten tijde hier van belang op andere adressen ingeschreven, vanaf 19 november 2010 op het [adres 2] (adres van appellant). Uit de relatie van [A] en appellant is op

24 december 2000 een zoon ([naam zoon]) geboren.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van [A] dat zij na een afspraak op 18 maart 2010 wegreed in een auto die op naam van appellant stond, heeft de Afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [A] verleende bijstand. In dat verband heeft de unit Bijzondere Controle van de gemeente onder meer dossieronderzoek verricht en in de periode van 16 tot en met

25 november 2010 waarnemingen gedaan nabij het uitkeringsadres. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 november 2010. Het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) heeft een vervolgonderzoek ingesteld. In dat kader zijn onder meer waarnemingen gedaan nabij het uitkeringsadres in de periode van

18 mei 2011 tot en met 16 juni 2011 en, met toestemming van de officier van justitie, stelselmatige observaties verricht nabij dat adres in de periode van 22 juni 2011 tot

20 september 2011. Verder zijn onder meer verbruiksgegevens bij nutsbedrijven en bankgegevens opgevraagd en geanalyseerd en zijn diverse buurtgenoten van het uitkeringsadres en het adres van appellant als getuigen gehoord. Op 26 januari 2012 hebben telkens twee sociaal rechercheurs [A] en appellant afzonderlijk verhoord. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 9 februari 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 maart 2012 de bijstand van [A] over de periode van 24 december 2000 tot en met 3 april 2003 en met ingang van 22 mei 2007 in te trekken. Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 24 december 2000 tot en met

3 april 2003 en van 22 mei 2007 tot en met 31 januari 2012 van [A] teruggevorderd tot een bedrag van € 91.080,51. Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college de bezwaren van [A] tegen de besluiten van 28 maart 2012 en 3 april 2012 ongegrond verklaard. [A] heeft tegen het besluit van 31 oktober 2012 beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 21 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college de onder 1.3 bedoelde kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat [A] en appellant gedurende de perioden waarover de kosten van bijstand van [A] worden teruggevorderd een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres.

[A] heeft dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het college gemeld waardoor zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is degene met wiens middelen bij de verlening van de bijstand aan [A] rekening had moeten worden gehouden, zodat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de gemaakte kosten van bijstand.

1.5.

Bij uitspraak van 4 juli 2013 heeft de rechtbank het beroep van [A] tegen het besluit van 31 oktober 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3879, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 22 mei 2007 tot 1 mei 2010 en voor zover het de terugvordering betreft, het besluit van 28 maart 2012 herroepen voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over laatst vermelde periode en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 31 oktober 2012. De Raad heeft voorts het college opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 3 april 2012 te nemen. De Raad heeft daartoe overwogen dat de onderzoeksbevindingen uitsluitend een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant en [A] in de perioden van 24 december 2000 tot en met 3 april 2003 en van 1 mei 2010 tot en met 31 januari 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad heeft voorts overwogen dat het college bij de rechtbank in verweer en ter zitting te kennen heeft gegeven dat de bijstand over 2000 en 2001 niet van [A] wordt teruggevorderd omdat de financiële gegevens over die periode niet meer voorhanden zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2012 te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank, met verwijzing naar de onder 1.5 vermelde uitspraak van de Raad, het volgende overwogen. De onderzoeksbevindingen bieden slechts voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat in de perioden van 1 januari 2002 tot en met 3 april 2003 en van 1 mei 2010 tot en met 31 januari 2012 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Naar aanleiding van de beroepsgronden van appellant heeft de rechtbank het volgende overwogen. Aan de verklaring van [A] komt doorslaggevende betekenis toe. Het feit dat appellant zelf niet heeft verklaard dat hij zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres leidt niet tot een ander oordeel. Dat appellant bij [A] verbleef in verband met speciale zorg voor zijn zoon leidt evenmin tot een ander oordeel. Nader onderzoek met betrekking tot door appellant opgegeven adressen was ter onderbouwing van het bestreden besluit niet nodig. Niet is de rechtbank gebleken van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van de medeterugvordering voor appellant.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2012 gegrond verklaard, dat besluit herroepen voor zover het betrekking heeft op de terugvordering over de periode van 22 mei 2007 tot 1 mei 2010 en het bedrag dat mede van appellant wordt teruggevorderd, berekend over de perioden van 1 januari 2002 tot en met 3 april 2003 en van 1 mei 2010 tot en met 31 januari 2012 (perioden in geding), vastgesteld op € 48.512,78.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld over de medeterugvordering van appellant van de kosten van de aan [A] over de perioden in geding verleende bijstand. Daartoe heeft appellant, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft blijk gegeven van vooringenomenheid door het bestreden besluit volledig te baseren op het advies dat ten aanzien van het besluit tot intrekking van de aan [A] verleende bijstand was uitgebracht. Ook bij de rechtbank stond hij op achterstand doordat de rechtbank en de Raad al hadden beslist in de zaak van [A]. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid doordat geen onderzoek is verricht naar de bewoning van de adressen waar appellant was ingeschreven. Appellant betwist dat hij in de perioden waarop de (mede)terugvordering ziet met [A] een gezamenlijke huishouding voerde. Hij was op het uitkeringsadres vaak aanwezig, maar alleen om zijn zoon de nodige zorg te verlenen. De observaties bieden geen grond voor de conclusie dat hij daar ook overnachtte. Aan de door [A] afgelegde verklaring kan geen waarde worden gehecht omdat zij die onder druk heeft afgelegd. Ook aan de getuigenverklaringen kan, om uiteenlopende redenen, geen waarde worden gehecht. Het college had op grond van dringende redenen moeten afzien van medeterugvordering dan wel op grond van bijzondere omstandigheden moeten afwijken van het terugvorderingsbeleid. Tegen het nader besluit heeft appellant dezelfde gronden gericht. Tevens heeft hij daartegen aangevoerd dat het college ten onrechte heeft nagelaten om daarbij de door hem gemaakte kosten van het bezwaar aan hem te vergoeden, hoewel hij hierom wel had verzocht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de perioden in geding met [A] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB heeft gevoerd.

5.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB en de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en - voor zover hier van belang - uit hun relatie een kind is geboren. Niet in geschil is dat appellant en [A] samen een kind hebben, zodat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellant en [A] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

5.4.

Appellant en [A] stonden in de perioden in geding op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Hierbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

5.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat hij in de perioden in geding hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat het college de onderzoeksbevindingen die aan de intrekking van de bijstand van [A] ten grondslag lagen eveneens als basis heeft genomen voor de medeterugvordering van appellant brengt op zichzelf niet mee dat het college ten aanzien van appellant bevooroordeeld was. Ook overigens is hiervan niet gebleken. Naar aanleiding van wat appellant tegen de onderbouwing van het bestreden besluit heeft ingebracht wordt het volgende overwogen.

5.5.1.

De beroepsgrond dat het college bij de besluitvorming niet heeft mogen uitgaan van het proces-verbaal dat van het verhoor van [A] is opgemaakt, slaagt niet. In dit verband geldt in de eerste plaats wat de Raad in de onder 1.5 vermelde uitspraak, rechtsoverweging 4.7, heeft overwogen. De ongedateerde handgeschreven verklaring van [A] die appellant in de bezwaarprocedure heeft overgelegd, waarin [A] op sommige punten nuances aanbrengt op wat zij eerder heeft verklaard en op andere punten weerspreekt dat zij heeft gezegd wat in het proces-verbaal is neergelegd, leidt niet tot een ander oordeel over de waarde van haar verklaring. In het algemeen mag immers van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. [A] heeft haar verklaring afgelegd tegenover twee sociaal rechercheurs en zij heeft het proces-verbaal van het verhoor, dat op ambtseed en ambtsbelofte is opgemaakt, na doorlezing en correctie per pagina ondertekend. Niet is gebleken dat [A] haar verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Het enkele feit dat zij tijdens het verhoor heeft gehuild duidt daarop niet en het feit dat zij zorgen had om haar kinderen evenmin. [A] heeft aan het einde van het verhoor verklaard dat zij geen klachten heeft over de behandeling, dat zij haar verhaal heeft kunnen doen ondanks alle confrontaties en dat zij haar verklaring in vrijheid heeft afgelegd. Appellant heeft gesteld dat [A] woorden in de mond zijn gelegd, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat wat zij heeft verklaard in overeenstemming is met de werkelijkheid. Hij heeft deze stelling echter niet aannemelijk gemaakt. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat specifieke vragen zijn gesteld die [A] voldoende feitelijk heeft beantwoord. Het feit dat [A] heeft verklaard dat zij de aanwezigheid van appellant op het uitkeringsadres tot dan toe niet had beschouwd als samenwonen, doet daaraan niet af.

5.5.2.

De verklaring van [A] tegenover de sociaal rechercheurs biedt, bezien in samenhang met wat zij overigens heeft verklaard, een toereikende grond voor de conclusie dat appellant in perioden in geding zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. [A] heeft tegenover de sociaal rechercheurs onder meer verklaard dat appellant van 2000 tot en met 2004 bij haar op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had, dat zij in 2006 iets had met de vader van haar dochter tot in 2007 en dat daarna appellant weer over de vloer kwam, alleen in de weekenden, en dat hij pas sinds zes weken na de operatie in maart 2010 zijn hoofdverblijf bij haar heeft. [A] heeft in die verklaring eerder al tweemaal verklaard dat appellant vanaf zes of acht weken na haar operatie in maart 2010 weer in haar leven is verschenen en dat hij de laatste tijd dagelijks komt, sinds de medische misser in maart 2010. Geconfronteerd met de bevindingen van de observaties heeft [A] vervolgens opnieuw verklaard dat appellant vanaf 2010 zijn hoofdverblijf bij haar heeft. [A] heeft in haar in 5.5.1 vermelde handgeschreven commentaar op het

proces-verbaal onder meer verklaard dat appellant (pas) bij haar is komen wonen toen [naam zoon] kon lopen en voorts dat de buren bevestigen dat zij in 2004 uit elkaar zijn gegaan. Tijdens de hoorzitting in het kader van de door haar gevoerde bezwaarprocedure heeft [A] verklaard dat zij twee jaar met appellant heeft samengewoond, van 24 december 2000 tot 3 april 2003. Dit ligt in lijn met het feit dat de haar toegekende bijstand met ingang van 4 april 2003 is ingetrokken op de grond dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat [A] tegenstrijdig heeft verklaard, komt aan die tegenstrijdigheden onvoldoende gewicht toe in het licht van het feit dat zij haar verklaringen over de perioden waarin appellant zijn hoofdverblijf bij haar had verschillende malen heeft herhaald.

5.5.3.

De verklaring die appellant zelf tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd, ondersteunen voormelde conclusie. Appellant heeft, zoals hij heeft aangevoerd, niet verklaard dat hij in de perioden in geding zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Zijn verklaring ligt echter wel in lijn met wat [A] heeft verklaard. Hij heeft, samengevat, verklaard dat hij vrij vaak op het uitkeringsadres is, de ene keer meer dan de andere, en dat hij de laatste tijd meer op dat adres verblijft, omdat [A] een medische misser heeft gehad en hulp nodig heeft. Hij heeft verklaard dat hij in de buurt van het adres waar hij is ingeschreven niemand kent en daaraan toegevoegd ‘in de avond erin en in de ochtend eruit’. Tevens heeft hij verklaard dat hij voor [A] in de ochtend en in de avond de hond uitlaat en de sleutel van haar woning heeft en dat het goed kan zijn dat hij is gezien terwijl hij zijn zoon naar school bracht. Volgens zijn verklaring kan het ook goed zijn dat zijn administratie op het uitkeringsadres ligt. Zijn werkkleding heeft hij op het uitkeringsadres liggen en [A] wast die voor hem. Appellant heeft beaamd dat hij bij diverse werkgevers en bij het Uwv het uitkeringsadres als woonadres heeft opgegeven en dat de post van zijn werkgevers aan hem op het uitkeringsadres wordt geadresseerd. Verder heeft hij verklaard dat hij een computer heeft die hij bij [A] gebruikt om zijn eigen bankzaken te doen.

5.5.4.

Op grond van de onder 5.5.2 en 5.5.3 vermelde onderzoeksbevindingen is reeds de conclusie gerechtvaardigd dat appellant gedurende perioden in geding het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres had. De waarnemingen en observaties bevestigen dat appellant in de desbetreffende perioden vaak op het uitkeringsadres aanwezig was. Wat de door de sociale recherche gehoorde buurtbewoners hebben verklaard is, wat ook zij van de kanttekeningen die appellant daarbij heeft geplaatst, met voormelde conclusie niet in strijd. De door appellant overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen zijn onvoldoende concreet, gedetailleerd en gemotiveerd om aanknopingspunten te bieden voor het oordeel dat die conclusie onjuist is.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat het college, anders dan appellant heeft aangevoerd, tot zijn conclusie heeft kunnen komen zonder nader onderzoek in te stellen naar de situatie op het adres waar appellant stond ingeschreven. In dit verband zij erop gewezen dat het college wel dat adres in het onderzoek heeft betrokken, namelijk door (buurt)bewoners van dat adres, te weten [naam 2] en [naam 3], als getuigen te horen.

5.7.

Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [A] in de perioden in geding met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. De omstandigheid dat het voor appellant nodig was dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had omdat hij [naam zoon], gelet op diens medische situatie, speciale zorg moest verlenen en voor [A] en de andere kinderen van [A] moest zorgen, brengt niet mee dat hij en [A] geen gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de Abw en de WWB. De reden waarom een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd is, gelet op 5.4, niet van belang.

5.8.

Niet in geschil is dat [A] het college niet over de gezamenlijke huishouding heeft geïnformeerd. Zij heeft daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Daardoor is haar ten onrechte als zelfstandig subject bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend.

5.9.

Uit 5.2 tot en met 5.8 volgt dat het college bevoegd was om de over de perioden in geding gemaakte kosten van bijstand aan [A] mede van appellant terug te vorderen.

5.10.

Het college voert bij de uitoefening van die bevoegdheid een beleid dat inhoudt dat bijstand wordt teruggevorderd indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, behoudens dringende redenen om af te zien van terugvordering. Dat appellant door de terugvordering wordt geconfronteerd met een aanzienlijk bedrag om te betalen, wat hem in financiële moeilijkheden brengt, en dat hij bij de terugvordering is betrokken door omstandigheden die niet binnen zijn invloedsfeer liggen, brengt niet mee dat de terugvordering voor appellant onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft die een dringende reden opleveren om van terugvordering af te zien. Deze omstandigheden zijn evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het gevoerde beleid had moeten afwijken.

5.11.

Uit 5.2 tot en met 5.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt tevens dat het beroep tegen het nader besluit voor zover het de medeterugvordering betreft evenmin slaagt.

5.12.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte heeft nagelaten, zoals het college ter zitting van de Raad ook heeft erkend, om bij het nader besluit de kosten te vergoeden die appellant in bezwaar heeft moeten maken, slaagt wel. Het beroep tegen het nader besluit is daarom gegrond. De Raad zal het nader besluit vernietigen voor zover daarbij de door appellant gemaakte bezwaarkosten niet zijn vergoed.

6. Uit 5.12 volgt dat aanleiding bestaat het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellant in bezwaar heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in beroep tegen het nader besluit heeft moeten maken. Deze kosten worden eveneens begroot op in € 990,- voor verleende rechtsbijstand. De totale kostenveroordeling bedraagt dus € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2015 gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 juni 2015 voor zover daarbij is nagelaten om aan appellant de

door hem in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in bezwaar en beroep tot een bedrag van

€ 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD