Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
16/3870 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3214, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht afgewezen aanvraag. Niet inzichtelijk gemaakt hoe hij voorafgaande aan aanvraag na beëindiging onderneming in bestaanskosten heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3870 PW

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 april 2016, 15/6453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 23 maart 2015 heeft appellant bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd. Hierbij heeft appellant vermeld dat hij in 2009 zijn onderneming heeft beëindigd. Bij brief van 9 april 2015 heeft het college onder meer gevraagd om objectieve, verifieerbare gegevens vanaf 1 januari 2010 waaruit blijkt hoe appellant sinds de beëindiging van zijn onderneming in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft hierop schriftelijk meegedeeld dat hij in 2012 al een uitkering had aangevraagd, dat deze niet is verleend omdat hij nog auto’s en goederen in bezit had die hij eerst moest verkopen, dat hij dat heeft gedaan en dat hij daarvan nog redelijk lang kon rondkomen. Verder heeft appellant verklaard dat hij daarna is onderhouden door zijn ex-vriendin en vrienden. Bij besluit van

29 april 2015 heeft het college appellant een voorschot verstrekt van € 821,51. Bij brief van 30 april 2015 heeft een klantmanager van de gemeente Rotterdam appellant uitgenodigd voor een gesprek op 13 mei 2015, waarbij appellant opnieuw is verzocht objectieve, verifieerbare gegevens mee te nemen waaruit blijkt hoe appellant vanaf 1 januari 2010 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, alsmede bankafschriften en schriftelijke verklaringen waaruit blijkt dat appellant geld heeft geleend van anderen en bankafschriften van alle rekeningen over de periode van 23 december 2014 tot en met 23 maart 2015. Appellant is niet op het gesprek verschenen.

1.2.

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt in bijstandsbehoevende omstandigheden te verkeren. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 19 mei 2015 heeft het college het aan appellant verleende voorschot teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 19 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij vanaf 2010 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De gegeven verklaringen zijn niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Verder is over de periode van

19 december 2013 tot 7 mei 2015 gebleken van diverse stortingen op de bankrekening van appellant, waarvoor wel verklaringen zijn gegeven via aantekeningen op de rekeningafschriften, zoals verkoop van auto’s, maar eveneens zonder nadere onderbouwing door middel van objectieve en verifieerbare bewijsstukken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 23 maart 2015 tot en met 19 mei 2015.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep bestreden dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij vanaf 2010 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hij heeft de informatie die hij kon geven, overgelegd. Gegevens waarover hij redelijkerwijs niet meer kan beschikken, kunnen niet van appellant worden gevraagd.

4.4.

Vaststaat dat appellant zijn eigen verklaringen en de verklaringen van zijn ex-vriendin over de wijze waarop hij sinds 2010 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, niet heeft onderbouwd met objectieve en controleerbare gegevens. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat uit deze verklaringen niet blijkt wanneer en wat aan appellant is gegeven en geleend en dat het voor rekening van appellant komt dat hij hiervan zelf geen overzicht heeft bijgehouden. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het ook voor zijn rekening komt dat appellant geen gegevens over de verkoop van zijn auto’s kan overleggen. Omdat appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, is onduidelijk gebleven hoe hij in de periode voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. Hierdoor heeft het college niet kunnen vaststellen of appellant in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.5.

De omstandigheid dat aan appellant naar aanleiding van een latere aanvraag met ingang van 11 augustus 2015 bijstand is verleend, terwijl de financiële situatie van appellant niet was gewijzigd, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat bij deze toekenning immers om een latere periode en dit maakt niet dat appellant ook in de hier te beoordelen periode recht op bijstand had.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) S.A. de Graaff

HD