Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
16/3432 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het opleggen van een bijdrage op grond van de Wmo 2015 is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 3.1
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/396 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
JWWB 2017/300
RSV 2017/253
ABKort 2017/339
NJB 2017/2156
USZ 2017/438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3432 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2016, 15/6802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft verweer gevoerd.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Betrokkene is verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft op 14 januari 2015 een maatwerkvoorziening aangevraagd als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij wilde in aanmerking komen voor drie trapliften om haar woning [adres] te kunnen bereiken. Deze woning bevindt zich op de derde verdieping.

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft appellant deze aanvraag afgewezen. Betrokkene heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Op 2 april 2015 is betrokkene naar aanleiding van dit bezwaar gehoord.

1.3.

Op 7 mei 2015 is een nadere hoorzitting gehouden, waarop overeenstemming is bereikt tussen appellant, betrokkene en een andere aanvrager voor een traplift, [naam 1] , die op dezelfde verdieping woont. Naar aanleiding hiervan hebben betrokkene en [naam 1] dezelfde dag, voor zover van belang, het volgende schriftelijk verklaard:

“ (…) Wij zijn bijzonder verheugd en opgelucht dat u, namens de Gemeente Amsterdam, heeft toegezegd dat de Gemeente Amsterdam de traplift van de begane grond naar de eerste etage alsmede de traplift van de 1e naar de 2e etage (inclusief stoeltje en motor) volledig voor haar rekening neemt, op voorwaarde dat wij: mevrouw [naam 1] en mevrouw [betrokkene] , gezamenlijk de volledige kosten voor de traplift van de 2e naar de 3e etage betalen.

VERKLARING

Hierbij verklaren wij,

[betrokkene] en [naam 1] ,

dat wij gezamenlijk de kosten voor de traplift van de 2e naar de 3e etage (exclusief stoeltje en motor) aan de firma [firma] zullen voldoen.

Voor akkoord:

[betrokkene] [naam 1]

De firma [firma] ontvangt graag zo spoedig mogelijk de schriftelijke verklaring naar [e-mailadres] t.a.v. [naam 2] en [naam 3] onder vermelding van Offertenr [nummer] .

dat de gemeente Amsterdam met de bestelling en plaatsing van deze traplift op bovenstaand adres akkoord is, zodat [firma] tot de definitieve bestelling en inplanning van de montage kan overgaan. (…)”

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2015 heeft appellant het bezwaar van betrokkene op grond van de hardheidsclausule – genoemd in artikel 9.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) – gegrond verklaard en het bij 1.2 genoemde besluit van 9 maart 2015 herroepen. Appellant heeft betrokkene een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift van de begane grond naar de eerste verdieping toegekend onder de voorwaarde dat zij en [naam 1] de kosten van een traplift van de tweede naar de derde verdieping gezamenlijk zullen dragen. Appellant heeft onder dezelfde voorwaarde een traplift van de eerste naar de tweede verdieping toegekend aan
.

1.5.

Bij schrijven van 13 juli 2015 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat de ingangsdatum van de toegekende traplift 13 juli 2015 is, dat betrokkene voor de kosten van de toegekende traplift een bijdrage is verschuldigd en dat de bijdrage moet worden betaald tot aan de werkelijke kosten. Voor de normbedragen is verwezen naar een vindplaats op de website. Voorts heeft appellant betrokkene geïnformeerd dat de hoogte van de bijdrage door CAK wordt vastgesteld en dat zij van CAK een beschikking en een factuur voor de bijdrage zal ontvangen.

1.6.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het opleggen van de bij 1.5 genoemde bijdrage in de kosten van de traplift. Volgens betrokkene mocht zij op basis van de gemaakte afspraken met appellant erop vertrouwen dat appellant bij haar geen kosten meer in rekening zou brengen. Voorts meent betrokkene dat geen bijdrage geldt omdat de traplift ook door
[naam 1] wordt gebruikt zodat deze een collectieve voorziening is.

1.7.

Bij besluit van 15 september 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit artikel 5.3.1 van de Verordening volgt dat betrokkene voor de kosten van de toegekende traplift een bijdrage is verschuldigd. De mededeling dat betrokkene een bijdrage moet betalen is daarom geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 13 juli 2015 herroepen voor zover daarbij is bepaald dat betrokkene een bijdrage is verschuldigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene ontvankelijk is in haar beroep tegen het opleggen van een bijdrage in de kosten van de traplift omdat deze onderdeel uitmaakt van de toepassing van de hardheidsclausule. Appellant had in het kader van een zorgvuldig onderzoek de bijdrage in de kosten van de traplift onderwerp van gesprek moeten maken voordat tot toekenning van de traplift onder voorwaarden zou worden overgegaan.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat betrokkene geen bijdrage is verschuldigd omdat betrokkene hierover niet vooraf was ingelicht. Volgens appellant is betrokkene tijdens de hoorzitting op 2 april 2015 geïnformeerd over de verschuldigdheid van een bijdrage in de kosten van een traplift. Appellant verzet zich niet tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant het bezwaar ontvankelijk had moeten verklaren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad zal eerst ambtshalve beoordelen of het bij 1.5 genoemde schrijven waarbij aan betrokkene een bijdrage in de kosten van de toegekende traplift is opgelegd, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.1.1.

Artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“1. Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd:

a. voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning;

b. voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget.

2. In de verordening kan de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend worden vastgesteld (…).

3. Het totaal van de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget gaat de kostprijs niet te boven. In de verordening wordt bepaald op welke wijze de kostprijs wordt berekend.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, waaronder regels over: (…).

e. de uitzonderingsgronden voor het verschuldigd zijn van een bijdrage. (…)

6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget wordt, met uitzondering van die voor opvang, vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.”

De memorie van toelichting van de Wmo 2015 licht de betekenis van het derde lid van artikel 2.1.4 als volgt toe: “Indien uit het onderzoek blijkt dat iemand een aanvraag kan doen voor een maatwerkvoorziening, informeert de gemeente de betrokkene (op grond van artikel 2.3.2) over de hoogte van de bijdrage.”(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 138).

4.1.2.

Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. (…)

4. Het college onderzoekt: (…)

g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. (…)”

De memorie van toelichting bij de Wmo 2015 vermeldt het volgende over wat bij het onderzoek aan de orde moet komen:

“Voordat iemand een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan doen, moet eerst sprake zijn van een onderzoek door de gemeente naar de ondersteuningsbehoefte, persoonskenmerken en de voorkeuren van de aanvrager. (…) In het gesprek dat de gemeente met een cliënt voert, moet de hoogte van de eventueel verschuldigde bijdrage voor de voorziening betrokken worden. De gemeente mag de aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de bijdrage, niet op die grond afwijzen. Dat neemt niet weg, dat de gemeente in het gesprek met financieel draagkrachtige cliënten natuurlijk wel mag wijzen op de mogelijkheid de voorziening zelf te financieren. Als de cliënt dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. De cliënt kiest er dan voor de voorziening zelf buiten de gemeente om te regelen. Het ligt daarom op de weg van de gemeente de cliënt goede voorlichting te geven over de financiële consequenties van een toekenning, zodat de cliënt daarop zijn keuze kan baseren.”(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 45).

In de memorie van toelichting bij het derde lid van artikel 2.3.2, onderdeel g (bij het voorstel van wet nog onderdeel f geheten), staat:

“Het college zal aan het einde van het onderzoek een beeld hebben of de betrokkene, wanneer hij een aanvraag indient, in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en waaruit dat arrangement zal bestaan. Het kan zijn dat de betrokkene, gezien zijn inkomen en vermogen, een hoge bijdrage in de kosten zal moeten betalen die kan oplopen tot de kostprijs van de maatwerkvoorziening (2.1.4, derde lid). Om die reden deelt het college aan de betrokkene mede welke bijdragen hij verschuldigd zal zijn indien aan hem een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. De betrokkene kan vervolgens besluiten of hij ondanks die bijdrage in de kosten een aanvraag wil indienen.” (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 145).

4.1.3.

Artikel 3.1, eerste lid, van het op artikel 2.1.4, vierde lid, van de Wmo 2015 gebaseerde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt dat indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 2.1.4, eerste lid, onderdeel b, of artikel 2.1.5 van de wet een bijdrage is verschuldigd.

4.1.4.

Artikel 3.8, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bevat de uitzonderingsgronden, bedoeld in artikel 2.1.4, vierde lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin geen bijdrage is verschuldigd.

4.1.5.

Artikel 5.3.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt, voor zover van belang, dat de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening inkomensafhankelijk is.

4.2.

Uit de hiervoor weergegeven wettelijke systematiek volgt, net zoals dat bij de
Wet maatschappelijke ondersteuning voor een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321), dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de wettelijke systematiek, gelet ook op de aangehaalde toelichting, volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Ten laatste bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening moet duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.

4.3.1.

Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt dat het bij 1.5 genoemde schrijven van 13 juli 2015 waarbij aan betrokkene een bijdrage is opgelegd, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het rechtsgevolg van dat besluit is dat een bijdrage verschuldigd zal zijn voor de toegekende voorziening.

4.3.2.

Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt verder dat het laatste moment waarop betrokkene in dit geval over de aan de toegekende traplift verbonden rechten en plichten, de verschuldigdheid van een bijdrage in de kosten ervan en de kostprijs van de voorziening voor de gemeente had moeten zijn ingelicht, gesteld moet worden op 12 mei 2015, de datum van de in 1.4 genoemde beslissing op bezwaar. Door eerst bij besluit van 13 juli 2015 een bijdrage op te leggen heeft het college het wettelijk systeem miskend. Dit weegt nog zwaarder omdat appellant betrokkene hangende de behandeling van het bezwaar op 7 mei 2015 de financiële verplichting heeft laten aangaan om de kosten van één van de trapliften voor eigen rekening te nemen.

4.3.3.

Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat hij betrokkene op de hoorzitting van 2 april 2015 heeft geïnformeerd over de verschuldigdheid van een bijdrage. Uit het verslag van de hoorzitting van 2 april 2015 noch uit de andere gedingstukken is op te maken dat betrokkene duidelijk is gemaakt dat zij naast de voor eigen rekening genomen traplift nog een bijdrage verschuldigd zou zijn voor de door appellant toe te kennen traplift. Evenmin blijkt daaruit dat betrokkene is gewezen op de kostprijs van die voorziening.

4.4.

Uit 4.3.1 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. Uit 4.3.2 en 4.3.4 volgt dat het besluit van 13 juli 2015 strijdig is met artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en dat de rechtbank dit besluit terecht heeft herroepen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

TM