Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/7994 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag om inkomenstoeslag (36 PW). Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven over inkomenspositie. Geen onbillijkheid van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 7994 PW

Datum uitspraak: 26 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 november 2016, 16/1858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.M. Demmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met zaken 15/8140 WWB, 15/8141 WWB, 16/4590 PW en 16/5461 WWB plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Demmer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Nieuwland. In de zaken 15/8140 WWB, 15/8141 WWB, 16/4590 PW en 16/5461 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving samen met haar toenmalige partner [naam A] (A) van 31 oktober 2011 tot en met 7 januari 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Vanaf 8 januari 2014 ontving appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2014, gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2014, heeft het college voor zover hier van belangde bijstand over de periodes 1 december 2011 tot en met 31 januari 2012, 1 mei 2012 tot en met 30 juni 2012, 1 november 2012 tot en met 31 januari 2013 en 1 maart 2013 tot en met 30 september 2013, alsmede de langdurigheidstoeslag over het jaar 2012 ingetrokken en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 19.421,82 (bruto) van appellante en A teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante en A door onvoldoende openheid van zaken te geven over hun inkomsten- en uitgavenpatroon, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor het recht op bijstand in voormelde periodes niet is vast te stellen. Bij uitspraak van 30 oktober 2015 (14/2910 en 14/2911) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellante heeft op 8 januari 2016 een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de PW aangevraagd. Bij besluit van 10 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante over de periodes van 8 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 en van 1 maart 2013 tot en met 30 september 2013 onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over haar inkomsten- en uitgavenpatroon, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Hierdoor kan evenmin worden vastgesteld of appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum (referteperiode) een inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.1

4.1.

Appellante heeft op 8 januari 2016 (peildatum) een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Gelet hierop loopt de referteperiode van 8 januari 2013 tot 8 januari 2016.

4.2.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de PW kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.

4.3.

In artikel 2, eerste lid, van de Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 van de gemeente Hengelo (Verordening) is bepaald dat voor een inkomenstoeslag in aanmerking komt degene, die 21 jaar of ouder maar jonger is dan de geldende pensioengerechtigde leeftijd en die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen per maand, dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet.

4.4.

In artikel 4 van de Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de rechthebbende kunnen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.5.

Bij uitspraak van heden (zaaknummers 15/8140 WWB en 15/8141 WWB) heeft de Raad het hoger beroep dat appellante samen met A heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank vermeld onder 1.2, voor zover dat zag op de intrekking en terugvordering van de bijstand, ongegrond verklaard en deze uitspraak in zoverre bevestigd. Partijen zijn het erover eens dat in dat geval appellante geen aanspraak kan maken op een individuele inkomenstoeslag. Het hoger beroep van appellante slaagt in zoverre niet.

4.6.

Van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 4 van de Verordening is niet gebleken. Dat appellante als gevolg van het in het verleden enkele malen stopzetten en intrekken van haar bijstand in financiële problemen is geraakt, is geen gevolg van het toepassen van de Verordening. Haar huidige slechte financiële omstandigheden vormen, nog daargelaten dat deze niet zijn onderbouwd, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college zou moeten afwijken van de Verordening.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

1 )