Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
15/5926 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4826, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van besluit inhoudende weigering WIA-uitkering terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5926 WIA

Datum uitspraak: 20 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2015, 14/7784 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld en medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2015.

Nadien heeft appellante informatie van de huisarts aan de Raad gezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Voor appellante is verschenen mr. F. Ergec, kantoorgenoot van mr. Klaver. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als medewerkster tuinbouw. Zij heeft zich op
17 september 2007 arbeidsongeschikt gemeld wegens rugklachten. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van
7 september 2009 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 september 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 30 december 2009. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard bij haar uitspraak van 26 juli 2010 en de Raad heeft die uitspraak bevestigd op 10 juni 2011.

1.2.

Op 1 juli 2014 heeft appellante een verzoek om herziening van het besluit van
7 september 2009 gedaan en verzocht om een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de overgelegde medische informatie en eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding is om toegenomen beperkingen aan te nemen ten aanzien van de rugproblematiek. Wel is er sprake van afgenomen belastbaarheid voortkomend uit een andere ziekteoorzaak, de psychische problematiek. Als eerste dag van de afgenomen belastbaarheid als gevolg van de psychische problematiek wordt 5 december 2011 aangehouden.

1.3.

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2014, vastgesteld dat niet is gebleken van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het besluit van 7 september 2009 moet worden herzien. Evenmin is er grond om per latere datum een WIA-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, omdat er geen sprake is van een toename van arbeidsbeperkingen waarvoor appellante in 2009 een WIA-beoordeling heeft gehad. Op de datum dat beperkingen zijn aangenomen in verband met de psychische klachten, 5 december 2011, was appellante niet verzekerd voor de Wet WIA. Het bezwaar van appellante is ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het gaat om een herzieningsverzoek en een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Hetgeen appellante heeft aangevoerd geeft geen blijk van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten aanzien van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in het oordeel dat per 5 december 2011 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door psychische klachten, maar dat hierbij sprake is van een andere ziekteoorzaak dan waarvoor in 2009 beperkingen zijn vastgesteld. Dit betekent dat terecht is vastgesteld dat geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering op grond van artikel 55 van de Wet WIA.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar informatie van de huisarts, gesteld dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten de psychische klachten mee te wegen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in 2009. Omdat in 2009 al sprake was van psychische klachten, is per 5 december 2011 wel degelijk sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2015 en 21 januari 2016, de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden moet worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante bij haar aanvraag van 1 juli 2014 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De informatie van de huisarts is niet als zodanig aan te merken omdat het voor wat betreft de rugklachten geen feiten en omstandigheden betreft die niet vóór het besluit van 7 september 2009 konden worden aangevoerd. Het journaal en het medisch dossier van de huisarts van voor die datum had destijds immers kunnen worden ingebracht.

4.4.

Appellante is van mening dat uit de in hoger beroep overgelegde brieven van de huisarts van 28 augustus 2015 en 16 december 2015, blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot herziening van het besluit van 7 september 2009, omdat de huisarts daarin te kennen heeft gegeven dat appellante al sinds 2003/2004 bekend is met een hardnekkige depressie en een gegeneraliseerde angststoornis. Daargelaten dat volgens vaste rechtspraak van de Raad met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht geen rekening kan worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9529), heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onder meer het rapport van 6 november 2015 terecht opgemerkt dat deze brieven niet consistent zijn met de beschikbare gegevens. Dit standpunt wordt, onder verwijzing naar de hierna opgenomen overwegingen in 4.7, onderschreven. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.5.

Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 9 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:894) blijft bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag van appellante van 1 juli 2014 ook een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid betreft. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de artikelen 39a en 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dient buiten twijfel te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in die artikelen niet van toepassing zijn, waarbij de bewijslast in beginsel rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Deze rechtspraak is ook van toepassing op zaken betreffende artikel 55 van de Wet WIA (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4483). Gelet op deze rechtspraak dient te worden beoordeeld of het Uwv erin is geslaagd om aan te tonen dat buiten twijfel staat dat de psychische klachten van appellante niet voortkomen uit dezelfde oorzaak. Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere Functionele Mogelijkhedenlijst opgenomen beperkingen maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt, dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen (zie de uitspraak van de Raad van 28 december 2012,
ECLI:NL:CRVB: 2012:BY8136).

4.7.

De verzekeringsarts heeft volgens het rapport van 15 augustus 2014 dossieronderzoek gedaan en geconcludeerd dat op 5 december 2011 sprake is van een afgenomen psychische belastbaarheid. Voor deze datum is aansluiting gezocht bij de in de gegevens van de huisarts genoemde brief van Mentaal Welzijn van die datum. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens het rapport van 17 november 2014 overwogen dat uit de beschikbare gegevens niet is gebleken dat er tussen 2007 en 2011 al sprake was van een psychische stoornis. Appellante was niet onder behandeling en de artsen van het Uwv hebben tijdens de eerdere onderzoeken in 2009 geen duidelijke psychische afwijkingen gevonden. Het ging destijds om rugklachten. Anders dan in de aangevallen uitspraak is vermeld, heeft appellante in de vorige procedure weliswaar psychische klachten genoemd, zo blijkt uit de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2010 en de uitspraak van de Raad van 10 juni 2011, maar tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen heeft appellante volgens de rapporten van 3 juni 2009, 11 augustus 2009 en van 15 december 2009 dergelijke klachten nog niet geuit. Met al deze gegevens heeft het Uwv aangetoond dat de afgenomen psychische belastbaarheid per 5 december 2011, niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak (rugklachten) als waarvoor appellante in 2009 de wachttijd voor de Wet WIA heeft doorlopen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op grond van artikel 55 van de Wet WIA geen recht op WIA-uitkering is ontstaan. Dit betekent tevens dat de arbeidsbeperkingen als gevolg van de psychische klachten per 5 december 2011 niet leiden tot recht op een WIA-uitkering op grond van de artikelen 47 of 54 van de Wet WIA, omdat appellante op die datum niet verzekerd was voor de Wet WIA.

5. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Bij dit oordeel is er geen grond voor vergoeding van de gevraagde wettelijke rente.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

AB