Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
16/5711 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2016:1079). Opnieuw Wajong-uitkering geweigerd. De arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML van 4 april 2016 geldend op 17e/18e-jarige leeftijd. De Raad onderschrijft dit standpunt en de hiervoor gegeven motivering. Dit betekent dat het beroep van appellant niet slaagt. Schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/5711 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 21 juli 2016 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 september 2017

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 25 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1079, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2014, 14/1870, vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 21 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2012, ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, beroep ingesteld bij de Raad.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017. Namens appellant is
mr. Kramer verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 25 maart 2016. Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

Bij de uitspraak van 25 maart 2016 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van
20 februari 2014 in stand had gelaten. De rechtsgevolgen zien er op dat het Uwv heeft vastgesteld dat appellant op zijn 17e/18e jaar geen recht heeft op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van artikel 2:3 van de Wajong 2010 omdat hij voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad heeft in de uitspraak van 25 maart 2016 allereerst overwogen dat appellants aanspraken op een Wajong-uitkering dienen te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in de Algemene arbeidsongeschiktheidswet omdat appellant geboren is voor 1 januari 1980. Voorts heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 januari 2014, opgesteld in het kader van appellants (laattijdige) aanspraak op een AAW-uitkering, onvoldoende tegemoet is gekomen aan de psychische klachten van appellant op 17e/18e-jarige leeftijd. In het kader van een in 2007 gehouden WIA-beoordeling heeft de WIA-verzekeringsarts als gevolg van bij appellant levenslang bestaande ADHD en cluster B-persoonlijkheidstrekken, psychische beperkingen vastgesteld in de rubrieken 1 en 2 in een FML van 10 december 2007. Deze beperkingen zijn mede gestoeld op een brief van 20 maart 2007 van psychiater Slot. In de uitspraak van
25 maart 2016 is geoordeeld dat er geen reden wordt gezien deze psychische beperkingen tevens niet van toepassing te laten zijn op 17e/18e-jarige leeftijd, gelet op de onderzoeksbevindingen in de WIA-beoordeling. Het Uwv is opgedragen om de – in het kader van deze WIA-beoordeling – vastgestelde beperkingen als gevolg van de psychische klachten zoals neergelegd in rubrieken 1 en 2 van een FML van 10 december 2007, over te nemen in een FML die geldend is op 17e/18e leeftijd omdat appellant deze beperkingen al had bij aanvang van de verzekering. De reeds in de FML van 29 januari 2014 neergelegde beperkingen voor de rugklachten op 17e/18e-jarige leeftijd zijn niet onderschat. Voor het aannemen van een urenbeperking bestaat geen rechtvaardiging. Met de nieuw op te stellen FML dient een nadere arbeidskundige beoordeling plaats te vinden waarna de resultaten in een nieuw te nemen beslissing op bezwaar dienen te worden neergelegd.

2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv een FML van 4 april 2016 opgesteld waarin de beperkingen in de rubrieken 1 en 2, zoals neergelegd in de FML 10 december 2007, geheel zijn overgenomen evenals de reeds vastgestelde beperkingen voor de rugklachten. Met deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd op grond waarvan appellant per [datum] 1986, zijnde 18e-jarige leeftijd, meer dan 75% van het voor hem geldende maatmaninkomen kan verdienen, zodat appellant geen recht heeft op een
AAW-uitkering. Het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2012 is bij besluit van 21 juli 2016 opnieuw ongegrond verklaard.

3. Appellant kan zich ook met het bestreden besluit van 21 juli 2016 niet verenigen. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen als gevolg van ADHD en cluster B-persoonlijkheidstrekken. Zo is appellant aangewezen op werkzaamheden met een
solo-karakter, dan wel werkzaamheden zonder of slechts incidenteel contact met anderen, omdat bij appellant sprake is van onduidelijke, onvoorspelbare en onconventionele wijze van gevoelsuitingen en van een autoriteitsprobleem. Niet is onderzocht of appellant gelet op deze beperkingen naar tevredenheid van een werkgever zou kunnen werken, ook omdat appellant, gezien zijn arbeidsverleden, nooit zes maanden lang aantoonbaar 75% van het minimumloon heeft kunnen verdienen. De geselecteerde functies zijn voorts niet geschikt wegens het lawaai dat voorkomt in de functies, de eentonigheid, het hoge handelingstempo, het tillen, het dragen en het zitten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Uwv heeft met de FML van 4 april 2016 voldaan aan de opdracht zoals gegeven in de uitspraak 25 maart 2016. De psychische beperkingen zoals neergelegd in de FML van
10 december 2007 zijn geheel overgenomen in de nieuwe FML van 4 april 2016. In de uitspraak van 25 maart 2016 heeft de Raad geoordeeld dat de lichamelijke beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 29 januari 2014, niet zijn onderschat en dat voor een urenbeperking geen aanleiding is. Wat appellant met het beroep nog inbrengt tegen de medische grondslag van het bestreden besluit kan niet meer aan de orde komen, omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

4.2.

Aan de hand van de FML van 4 april 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 25% is berekend. Bij rapporten van 8 juni 2016 en 10 juli 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML van 4 april 2016 geldend op 17e/18e-jarige leeftijd.

De Raad onderschrijft dit standpunt en de hiervoor gegeven motivering. Dit betekent dat het beroep van appellant niet slaagt en zijn beroep tegen het besluit van 21 juli 2016 ongegrond is. Bij dit oordeel is er geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, zoals door appellant is verzocht.

5. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.1.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van
€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.2.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie).

5.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst op 5 april 2012 door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 24 februari 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaren en vijf maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding komt daarom geheel voor rekening van het Uwv, mede gelet op de eerder in de procedure gegeven uitspraak van
25 oktober 2013 door de rechtbank waarbij het besluit van 10 december 2012 is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuw beslissing op bezwaar te nemen. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2016 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB