Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
15/6571 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Niet gehele periode aannemelijk gemaakt. Nieuwe besluitvorming over de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 6571 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 augustus 2015, 15/604 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Deurne (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 26 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. M. Hoogendonk, advocaat, een verweerschrift ingediend en vergoeding van verschuldigde wettelijke rente.

Appellant heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Namens appellant is verschenen mr. J.B.L. Krahmer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendonk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 25 februari 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woonde van 7 maart 2013 tot en met 3 juni 2014 op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Zij heeft samen met [naam] een zoon, geboren [in] 2012. E stond van 27 maart 2013 tot en met 3 juni 2014 ingeschreven op het adres [adres 2] . Op dit adres woonde vanaf 31 juli 2012 het gezin [naam gezin] . De moeder van [naam] , [naam moeder] , woont op de [adres 3] . Betrokkene heeft op 5 juni 2014 door middel van een wijzigingsformulier aan appellant doorgegeven dat zij met ingang van 4 juni 2014 is gaan samenwonen met [naam] op het adres [adres 4] .

1.2.

Naar aanleiding van een melding van 6 december 2013 dat betrokkene zou samenwonen en een Facebookpagina had waarop [naam] als vriend stond vermeld, hebben medewerkers van het Team Integrale Ondersteuning van het Cluster Handhaving Sociale Zekerheid regio Helmond (medewerkers handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers handhaving onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht tussen 25 maart en 23 april 2014 bij het uitkeringsadres en de [adres 3] , diverse instanties, waaronder het waterbedrijf, om inlichtingen verzocht, huisbezoeken gebracht in de woning aan de [adres 3] op 24 april 2014 en de woning aan het uitkeringsadres op 25 april 2014. De medewerkers handhaving hebben buurtbewoners bij de [adres 3] en het uitkeringsadres gehoord en een bewoner van het [adres 2] . De medewerkers handhaving hebben betrokkene, [naam] en de moeder van

[naam] verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport handhaving van

2 juni 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 17 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2015 (bestreden besluit), de bijstand en bijzondere bijstand van betrokkene met ingang van 25 maart 2014 in te trekken en de over de periode van 25 maart 2014 tot en met 31 mei 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.633,97 (netto) van betrokkene terug te vorderen en mede van [naam] terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij met ingang van 25 maart 2014 een gezamenlijke huishouding met [naam] voert op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 17 juni 2014 herroepen. De rechtbank heeft overwogen dat uit enkel de verslagen van de huisbezoeken niet valt af te leiden dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [naam] op het uitkeringsadres lag. De overige onderzoeksbevindingen vormen onvoldoende onderbouwing voor het standpunt van appellant dat [naam] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in geding zijnde periode loopt van 25 maart 2014 tot en met 3 juni 2014.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en ze blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3.

Aangezien vaststaat dat betrokkene en [naam] samen een zoon hebben, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of betrokkene en [naam] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat [naam] zijn hoofdverblijf niet had op het [adres 2] . Dat is tussen partijen niet meer in geschil. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geheel voorbijgaat aan de onderzoeksgegevens die er op wijzen dat [naam] hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres en daar met betrokkene een gezamenlijke huishouding voert. Appellant verwijst daarvoor in het bijzonder naar de verklaring van betrokkene, de verklaring van de moeder van [naam] en het huisbezoek op het uitkeringsadres.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat in de te beoordelen periode het hoofdverblijf van ( [naam] ) zich in de woning van betrokkene bevond. Appellant heeft daarbij zwaarwegende betekenis kunnen toekennen aan de verklaringen van betrokkene en de moeder van [naam] en aan het huisbezoek aan het uitkeringsadres. Betrokkene geeft in haar verklaring van 12 mei 2014 aan dat [naam] elke dag met de auto bij haar komt om te helpen met de verzorging van hun zoon. Hij komt tussen 7 en 9 uur ’s ochtends en vertrekt rond 10 uur ’s avonds. Hij blijft alleen in de weekenden slapen. Verder verklaart betrokkene dat ze bijna elke dag naar de moeder van [naam] gaan en daar soms ook samen met hun zoon slapen. De moeder van [naam] geeft aan dat [naam] bij betrokkene en hun zoon woont. Tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres zijn herenkleding, rookwaren, een telefoon, een portemonnee en verzorgingsartikelen aangetroffen die volgens de door betrokkene ondertekende verklaring allemaal van [naam] waren.

4.7.

Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij met [naam] een gezamenlijke huishouding voert.

4.8.

Appellant heeft ter zitting aangegeven dat de aanvangsdatum van deze periode is gebaseerd op de waarnemingen, namelijk de eerste dag dat de auto van [naam] gesignaleerd is in de omgeving van het uitkeringsadres. Uit het handhavingsrapport blijkt dat waarnemingen zijn gedaan van de auto van [naam] zowel bij de [adres 3] als het uitkeringsadres. De eerste keer dat de auto op het laatstgenoemde adres is gesignaleerd is 9 april 2014 en vanaf die datum nagenoeg elke dag.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat niet al per 25 maart 2014, maar eerst vanaf 9 april 2014 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en [naam] , zodat geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van 25 maart 2014 tot en met 8 april 2014. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van 25 maart 2014 tot en met 8 april 2014. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 17 juni 2014 te herroepen, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 25 maart 2014 tot en met 8 april 2014, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.11.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 9 april 2014 tot en met 31 mei 2014. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Mede in aanmerking genomen dat de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van cassatie, bestaat aanleiding het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 juni 2014.

4.12.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er is geen aanleiding appellant te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, omdat er gelet op hetgeen hiervoor is overwogen het college geen bijstand dient na te betalen.

6. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 2.970,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 januari 2015, voor zover het betreft de intrekking van de

bijstand over de periode van 25 maart 2014 tot en met 8 april 2014 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 17 juni 2014, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand

over de periode van 25 maart 2014 tot en met 8 april 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

besluit van 26 januari 2015;

- draagt appellant op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar

te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.970,-;

- heft een griffierecht van appellant van € 497,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD