Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
16/7423 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering terecht herzien, en de te veel betaalde toelage teruggevorderd. Terecht ov-schuld vastgesteld. De Raad verenigt zich met het door de rechtbank gegeven oordeel over de gronden van beroep en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/7423 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 oktober 2016, 15/7428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 27 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 10 december 2013 van januari 2014 tot en met juli 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aan appellant toegekend. Naar aanleiding van een door appellant op 22 juli 2014 aan de minister op het servicekantoor van DUO te [plaatsnaam] doorgegeven wijziging heeft de minister bij besluit van 2 augustus 2014 ook vanaf augustus 2014 aan appellant studiefinanciering toegekend, wederom in de vorm van een basisbeurs en een studentenreisproduct.

1.2.

Bij besluit van 8 december 2014 heeft de minister de aan appellant toegekende studiefinanciering vanaf 1 juli 2014 herzien, de te veel betaalde toelage teruggevorderd en een ov-schuld ten laste van appellant van € 970,- vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 24 december 2014 is ten laste van appellant een nadere ov-schuld van
€ 97,- vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 4 december 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 8 december 2014 en 24 december 2014 ongegrond verklaard. Uit een inschrijvingscontrole is gebleken dat appellant per 23 juni 2014 door de onderwijsinstelling is uitgeschreven. Omdat appellant vanaf 1 juli 2014 niet langer stond ingeschreven voor het volgen van een (voltijds) beroepsopleidende leerweg bij een onderwijsinstelling, heeft hij vanaf die datum geen recht meer op studiefinanciering. De
ov-schuld van € 1.067,- betreft de periode juli 2014 tot en met de eerste helft van de maand december 2014. Appellant heeft namelijk eerst op 5 december 2014 zijn studentenreisproduct stopgezet. Volgens de minister heeft appellant niet aangetoond dat de schuld is ontstaan door onjuiste informatie van het servicekantoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hem door een medewerkster van het servicekantoor een rechtens relevante toezegging is gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat hij recht bleef houden op studiefinanciering. De minister heeft navraag gedaan bij de desbetreffende medewerkster. Zij kan zich het gesprek met appellant niet herinneren. Zij stelt dat zij, indien appellant duidelijk zijn verhaal heeft verteld, zou hebben geadviseerd om contact op te nemen met zijn school over de inschrijving. Appellant heeft zijn standpunt niet met bewijs onderbouwd.

3. Appellant voert in hoger beroep (kort samengevat) aan dat de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Appellant stelt onvolledig te zijn geïnformeerd door de medewerkster van het servicekantoor.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad verenigt zich met het door de rechtbank gegeven oordeel over de gronden van beroep en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De stelling van appellant dat hij onvolledig is geïnformeerd over zijn recht op studiefinanciering kan, daargelaten de juistheid van deze stelling, niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een door of namens het bevoegde bestuursorgaan niet gedane of een door zo’n orgaan gedane onvolledige mededeling niet leiden tot een in rechte afdwingbare honorering van beweerdelijk opgewekt vertrouwen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

AB