Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
16/4185 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht verlaagd en teruggevorderd. Onvoldoende verantwoording. Niet voldaan aan de verplichtingen, zodat het Zorgkantoor bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/4185 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2016, 15/7520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. als rechtsopvolger van Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 27 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.P.M. Adank, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2017. Namens appellant is verschenen mr. Adank en [naam 1] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 11.979,44.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 17 maart 2015 de over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 door appellant ingediende verantwoording van het pgb afgekeurd voor zover deze betrekking heeft op de door [zorgverlener 1] verleende zorg.

1.3.

De door appellant ingediende verantwoording over de besteding van het pgb over de tweede helft van het jaar 2014 heeft het Zorgkantoor bij brief van 24 maart 2015 goedgekeurd.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014 vastgesteld op € 8.800,-. Daarbij is overwogen dat aan appellant een pgb van € 11.979,44 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording in totaal € 8.550,- wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 3.179,44 wordt teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren tegen de besluiten van 17 maart 2015 en 25 maart 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen door – ondanks herhaalde verzoeken daartoe – geen zorgplan van [zorgverlener 1] in te dienen. Appellant heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat de zorgverlener van deze stichting in de maanden april 2014 tot en met juni 2014 AWBZ-zorg heeft geleverd. Bij de belangenafweging heeft het Zorgkantoor in aanmerking genomen dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de budgethouder en dat appellant geen redenen of omstandigheden heeft aangevoerd die in de weg hebben kunnen staan aan het nakomen van de verplichtingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij aan de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft voldaan. Hij was niet gehouden om te voldoen aan het verzoek van het Zorgkantoor om een zorgplan van [zorgverlener 1] over te leggen, omdat sprake was van dezelfde soort zorg als die hij in het eerste kwartaal in 2014 van de zorgverlener van [zorgverlener 2] heeft ontvangen en waarvan hij op 12 mei 2015 wel een zorgplan heeft overgelegd. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat zijn belangen zijn geschaad door de gang van zaken rond de hoorzitting op 2 oktober 2015. Als hij aanwezig was geweest hadden hij en de toen eveneens aanwezige voorzitter van de [zorgverlener 1] , [naam voorzitter] , kunnen bevestigen dat enkel de naam van de zorgverlener gewijzigd was en hadden zij op het zorgplan van [zorgverlener 2] die naam kunnen doorstrepen en kunnen vervangen door [zorgverlener 1] . Ter zitting heeft appellant aangevuld dat op 2 oktober 2015 geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, maar slechts een gesprek.

3.2.

Het Zorgkantoor heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de zorg niet kan worden uitgegaan van een zorgplan van een andere zorgverlener. Bovendien zijn namens appellant tegenstrijdige verklaringen afgelegd doordat [naam 2] tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat het moeilijk is om een zorgplan te krijgen van [zorgverlener 1] . Gelet op de aanwezigheid van [naam voorzitter] op de hoorzitting had ook hij kunnen bevestigen dat enkel de naam van de zorgverlener (lees: zorgverlenende instantie) was gewijzigd. Dit heeft [naam voorzitter] echter niet gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft appellant het geschil beperkt tot de vaststelling van het pgb over het jaar 2014 en de gang van zaken rond de hoorzitting.

4.2.

De beroepsgrond dat het gesprek op 2 oktober 2015 niet is aan te merken als een hoorzitting als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slaagt niet. De Raad stelt vast dat de bezwaarschriften tegen de besluiten van 17 maart 2015 en 25 maart 2015 namens appellant zijn ingediend door Dagdelen van SCG Sociaal Juridisch Advies (SCG). SCG heeft in een emailbericht van 16 september 2015 aan het Zorgkantoor op een vraag van het Zorgkantoor of een hoorzitting gewenst is, meegedeeld dat inmiddels een afspraak is gemaakt met de [naam 3] en dat tijdens de zitting op die dag alle zaken besproken zullen worden. Het Zorgkantoor heeft vervolgens per email van 28 september 2015 aan [naam 2] bericht dat “…de hoorzitting over de lopende bezwaren bij het Zorgkantoor [is] gepland op vrijdag 2 oktober 2015 om 9.30 uur.” Gelet op deze mailwisseling heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het voor de gemachtigden van appellant voldoende duidelijk moet zijn geweest dat op 2 oktober 2015 de hoorzitting zou plaatsvinden. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat onder meer [naam 2] en [naam voorzitter] op de hoorzitting aanwezig waren en dat zij naar voren hadden kunnen brengen wat voor de beoordeling van het bezwaar belang was. Het voorgaande brengt mee dat de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb door het Zorgkantoor niet is geschonden.

4.3.

Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa en artikel 1.1.1, onderdelen j en k, van de Rsa mag het pgb alleen worden gebruikt voor zorgfuncties op grond van de AWBZ. De bestuursrechter dient vol te toetsen of de verrichte activiteiten aangemerkt moeten worden als zorg in de zin van de AWBZ (uitspraak van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4578).

4.4.

Evenals het Zorgkantoor is de Raad van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de door [zorgverlener 1] verleende zorg kan worden aangemerkt als zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder j en k, van de Rsa. Appellant heeft geen zorgplan of beschrijving overgelegd van [zorgverlener 1] waaruit blijkt welke doelen voor appellant zijn afgesproken en op welke wijze deze doelen met nader omschreven activiteiten behaald zullen worden. Het standpunt van appellant dat de door [zorgverlener 1] verleende zorg dezelfde is geweest als de zorg die in de periode januari tot en met maart 2014 is verleend door [zorgverlener 2] en dat hij daarom niet gehouden was een zorgplan van [zorgverlener 1] te overleggen is niet nader onderbouwd. Ook ter zitting bij de rechtbank heeft appellant niet kunnen omschrijven waaruit de verleende begeleiding bestond. Er zijn daarom onvoldoende concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke zorg feitelijk is verleend.

4.5.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden vastgesteld dat appellant het bedrag dat hij heeft verantwoord als zorg verleend door [zorgverlener 1] in de maanden april, mei en juni 2014 heeft besteed aan AWBZ-zorg. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, van de Rsa, zodat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Niet kan worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.

4.7.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 3.179,44 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.8.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) N. van Rooijen

RB