Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
16/1143 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts over de medische situatie. Geschiktheid voor de geduide functies onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1143 ZW

Datum uitspraak: 27 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 januari 2016, 15/2699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 15 augustus 2016 heeft mr. Kerkhof-Pöttger zich als gemachtigde teruggetrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2017. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zoon [naam zoon] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft in verband met haar ziekmelding op 6 januari 2014 wegens spier-, gewrichts- en psychische klachten ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellante voor die ziekmelding heeft verricht, was in de functie van inpakster in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening voor gemiddeld 20 uur per week.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 3 december 2014 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

4 december 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 december 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 26 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.4.

In beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar lichamelijke en psychische klachten heeft onderschat nadere informatie van de behandelend sector overgelegd, waaronder een brief van haar GZ-psycholoog van 10 april 2015. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gemotiveerd gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante onder behandeling is geweest bij het Riagg. Vastgesteld werd dat die behandeling op de datum in geding, 26 januari 2015, gestagneerd was door het faillissement van het Riagg. Het Uwv heeft volgens de rechtbank onzorgvuldig gehandeld door in de bezwaarfase geen informatie op te vragen bij het Riagg. De rechtbank heeft wel het standpunt van Uwv onderschreven dat de door appellante in beroep overgelegde gegevens van de behandelende sector geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Zowel de gegevens van de psycholoog alsook de brief van de neuroloog maken niet dat daaruit kan worden afgeleid dat meer beperkingen bestonden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt in beroep gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van
30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante onderzocht, dossierstudie verricht en in beroep op overtuigende wijze toegelicht waarom die informatie geen aanleiding geeft voor verdergaande beperkingen. Met de door appellante genoemde factoren van de reumatische artritis en fibromyalgie is door de verzekeringsartsen van het Uwv rekening gehouden door beperkingen daarvoor aan te nemen in de FML. Uit de overgelegde informatie blijkt niet van een objectief medische noodzaak voor een urenbeperking. Ten aanzien van de psychische klachten wordt het standpunt van het Uwv, dat de in beroep overgelegde informatie van de psycholoog van 10 april 2015 geen aanleiding geeft de belastbaarheid bij te stellen, onderschreven. De toelichting van het Uwv dat bij de medische onderzoeken niet van psychische problematiek is gebleken wordt niet onjuist geacht, temeer nu appellante pas na de datum in geding onder behandeling van een psycholoog is gekomen.

4.3.

Ten slotte heeft de rechtbank met juistheid het standpunt van het Uwv inzake de geschiktheid voor de geduide functies onderschreven. De toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellante ondanks de ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid van inpakster van plastic flessen wel geschikt is voor de geselecteerde functie van inpakker koekjes, omdat de handbelasting in die geduide functie minder groot is dan de handbelasting in de maatgevende functie, wordt gevolgd.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

RH