Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
16/4291 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering ten onrechte beëindigd. De medische informatie die in bezwaar is ingebracht staat in relatie tot de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Het gegeven dat de operatie binnen korte tijd na deze datum heeft plaatsgevonden en het door het Uwv onbestreden advies van neurochirurg Lelieveld, om 6 weken na de operatie absolute rust te bewaren, had het Uwv moeten betrekken bij de heroverweging van het besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0229
USZ 2017/425

Uitspraak

16/4291 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

17 juni 2016, 16/478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als betonwagenchauffeur. Hij heeft zich op 11 april 2011 ziek gemeld wegens letsel aan zijn handen als gevolg van een bedrijfsongeval. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juli 2013 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 8 april 2013 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker, wikkelaar en elektronicamonteur te vervullen.

1.2.

Appellant heeft zich op 4 september 2014 ziek gemeld met rugklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Vervolgens heeft appellant van het Uwv ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.3.

In het kader van een zogenoemde Eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv medisch onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 25 november 2015. De arts heeft dossierstudie verricht en appellant onderzocht. Hij acht appellant aangewezen op rugsparend werk. Tevens is sprake van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens de verzekeringsarts was er op het moment van rapportering geen verwachting dat appellant de benutbare mogelijkheden binnen drie maanden zou verliezen. Weliswaar heeft appellant op 11 december 2015 een poliklinische afspraak en is het volgens neurochirurg P.H. Leliefeld mogelijk dat hij op de wachtlijst voor een operatie wordt geplaatst, maar de wachttijd bedraagt vanaf 11 december 2015 ongeveer vier maanden. Vervolgens heeft de verzekeringsarts de voor appellant geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van
26 november 2015. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft appellant geschikt bevonden voor het vervullen van de functies als genoemd onder 1.1. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2015 vastgesteld dat appellant per 3 december 2015 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.4.

Gedurende de behandeling van het tegen het besluit van 2 december 2015 gerichte bezwaar is gebleken dat appellant op 11 december 2015 neurochirurg Leliefeld heeft bezocht. Blijkens de door Leliefeld opgestelde brief van 11 december 2015 is appellant aangemeld voor een operatie. Tot de operatie wordt relatieve rust geadviseerd en na de operatie zes weken absolute en vervolgens zes weken relatieve rust. Tijdens de periode van absolute rust wordt appellant geadviseerd niet te werken. De operatie heeft op 8 januari 2016 plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens haar rapport van
27 januari 2016 de beperkingen zoals die zijn vastgesteld door de verzekeringsarts onderschreven. Met betrekking tot de operatie is te kennen gegeven dat, nu op de datum in geding de operatiedatum niet bekend was, er volgens het beleid van het Uwv geen aanleiding bestond om appellant niet arbeidsgeschikt te verklaren. Pas in bezwaar is duidelijkheid gekomen over de vragen of en wanneer er een operatie zal volgen. Bij besluit van 27 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid per datum in geding niet zijn onderschat. Gevolgd wordt het standpunt van het Uwv dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat appellant op
8 januari 2016 is geopereerd, omdat dit gegeven pas na de datum in geding bekend is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant de in het kader van de WIA geduide functies, althans één daarvan, per datum in geding kan verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn medische beperkingen heeft onderschat. Hij acht zich niet in staat arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van
27 januari 2016 heeft vermeld dat het uiteraard bij het Uwv niet gangbaar is om iemand arbeidsgeschikt te verklaren als bekend is dat de betrokkene binnen korte tijd na de effectueringsdatum langere tijd zal uitvallen vanwege een operatie of anderszins een toename van arbeidsongeschiktheid. Beleid daarbij is dat de operatiedatum op het beoordelingsmoment bekend moet zijn, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.2.

Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv bij de heroverweging van het bezwaar van appellant alle (nieuwe) medische informatie betrekken die betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, te weten 3 december 2015. Een aangevochten besluit dient in volle omvang te worden heroverwogen.

4.3.

Het standpunt van het Uwv dat geen rekening wordt gehouden met de door appellant op
8 januari 2016 ondergane operatie omdat dit gegeven op de datum in geding niet bekend was, is – naar door het Uwv ter zitting van de Raad is beaamd – in strijd met het heroverwegingskarakter van de bezwaarprocedure. In dit verband wordt van belang geacht dat bij de verzekeringsarts al bekend was dat appellant op 11 december 2015 een poliklinische afspraak had, met als mogelijke uitkomst plaatsing op de wachtlijst voor een operatie. Ten tijde van het besluit van 2 december 2015 was nog niet bekend of en wanneer er een operatie zou volgen. In bezwaar is daar duidelijkheid over gekomen; de operatie heeft op 8 januari 2016 plaatsgevonden. Door neurochirurg Leliefeld is aan appellant geadviseerd dat hij zes weken na de operatiedatum absolute rust moet bewaren. De medische informatie die in bezwaar is ingebracht staat in relatie tot de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Het gegeven dat de operatie binnen korte tijd na deze datum heeft plaatsgevonden en het door het Uwv onbestreden advies van neurochirurg Lelieveld, had het Uwv moeten betrekken bij de heroverweging van het besluit van 2 december 2015. Door dit na te laten heeft het Uwv in strijd gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Gelet op het feit dat door het Uwv niet wordt betwist dat appellant na de operatie voor langere tijd is uitgevallen wordt er, mede gelet op wat hierboven onder 4.1, eerste zin, staat weergegeven, aanleiding gezien om het besluit van 2 december 2015 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 3 december 2015 recht blijft houden op een ZW-uitkering.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 27 januari 2016;

  • -

    herroept het besluit van 2 december 2015 en bepaalt dat appellant met ingang van
    3 december 2015 recht blijft houden op een ZW-uitkering;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 januari 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB