Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
16/1757 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet wonen op uitkeringsadres, recht niet vast te stellen. Intrekken, terugvorderen en boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1757 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 februari 2016, 15/3617 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 26 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017, waar appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 4 augustus 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Tot 15 februari 2015 heeft appellant ingeschreven gestaan in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , nadien op het adres [adres 2] (uitkeringsadres) te [gemeente 1] . In de huurovereenkomst van 28 januari 2015 is het door appellant gehuurde appartement nader omschreven als

[adres 3] .

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat [naam] samenwoont met appellant, haar ex-partner, de vader van haar kinderen, op haar adres in [gemeente 2] en naar aanleiding van retour gekomen poststukken, heeft de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordoost (ISD) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op 20 maart 2015 heeft appellant bij de balie van de ISD gemeld dat hij niet meer op het uitkeringsadres woont omdat hij de huur niet kan opbrengen en dat hij verwacht heel snel nieuwe woonruimte te hebben. Vervolgens heeft het college de uitbetaling van de bijstand geblokkeerd met ingang van 1 maart 2015. Op 25 maart 2015 heeft appellant gemeld dat hij met ingang van 1 april 2015 een nieuw adres heeft, [adres 4] . Op 30 maart 2015 heeft de ISD een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Twee bewoners verklaren dat zij vanaf december 2013 op nr. [nummer] wonen en dat zij appellant niet kennen.

1.3.

Nadat appellant niet op een uitnodiging van het college voor een gesprek op 9 april 2015 had gereageerd, heeft het college bij besluit van gelijke datum het recht op bijstand van appellant opgeschort en appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 20 april 2015. Appellant is naar het gesprek van 20 april 2015 gekomen en heeft verklaard dat hij op 18 april 2015 de sleutel van zijn nieuwe woning heeft gekregen. Uit een overgelegde huurovereenkomst blijkt dat appellant met ingang van 1 mei 2015 een kamer aan de [adres 4] huurt.

1.4.

De onderzoeksbevindingen van de ISD, neergelegd in een rapport van 6 mei 2015, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 mei 2015 de bijstand van appellant over de periode van 15 februari 2015 tot en met 17 april 2015 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 15 februari 2015 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 404,23 van appellant terug te vorderen. Tevens is bij dit besluit met ingang van 18 april 2015 weer bijstand aan appellant toegekend. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college appellant tevens een boete opgelegd van € 210,-.

1.5.

Bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 7 mei 2015 en 22 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie in de periode van 15 februari 2015 tot en met 17 april 2015, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Het benadelingsbedrag is € 404,23 zodat de boete van € 210,- afgerond op een veelvoud

van € 10,- evenredig is, waarbij het college uitgaat van gewone verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Zoals ter zitting is besproken, beperkt het geschil zich tot de intrekking en terugvordering van de bijstand en tot de opgelegde boete. Tegen de terugvordering en de boete heeft appellant geen afzonderlijke gronden ingediend.

Intrekking en terugvordering

4.2.1.

De in geding zijnde periode loopt van 15 februari 2015 tot en met 17 april 2015.

4.2.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, belanghebbende recht op bijstand heeft.

4.2.4.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef in de in geding zijnde periode. Weliswaar is niet uitgesloten dat appellant in de in geding zijnde periode woonachtig was op het uitkeringsadres, maar appellant heeft de onduidelijkheden die na onderzoek bij het college zijn ontstaan over zijn feitelijk verblijf aldaar, door de retour gekomen poststukken en de bevindingen van het huisbezoek op 30 maart 2015, nadien niet weggenomen door objectieve en verifieerbare gegevens te verstrekken en die onduidelijkheden laten bestaan. Als gevolg hiervan heeft het college het recht op bijstand over in de in geding zijnde periode niet kunnen vaststellen.

4.2.5.

Gelet op 4.2.1 tot en met 4.2.4 was het college op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, onder a, van de PW verplicht om de aan appellant verleende bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 15 februari 2015 tot en met 28 februari 2015 van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet. Daarom bestaat geen grond voor vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Boete

4.3.1.

Het college heeft de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, vastgesteld op € 210,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 202,12 evenredig is.

4.3.2.

Uit 4.3.1 volgt dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Met toepassing van 8:72a van de Awb zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 202,12.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.485,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het het bedrag van de aan appellant

opgelegde boete betreft;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 14 september 2015 voor

zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 210,-;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 202,12 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het besluit van 14 september 2015;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente

af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD