Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
16/1881 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen i.v.m. verzwegen werkzaamheden als glazenwasser. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1881 PW

Datum uitspraak: 26 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 februari 2016, 15/6857 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Glas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kruijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 januari 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Naar aanleiding van een melding van een fraudepreventiemedewerker dat appellant al jaren als glazenwasser aan het werk is in [gemeente] , heeft het Regionaal Instituut Sociale Recherche van onder andere de gemeente Gouda onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft een sociaal rechercheur dossieronderzoek gedaan en op 20 en 21 januari 2015 waarnemingen verricht in de wijk [wijk] in [gemeente] . Tijdens deze waarnemingen is appellant werkend als glazenwasser aangetroffen. Verder heeft de sociaal rechercheur appellant op 18 februari 2015 opgeroepen voor een gesprek op 25 februari 2015 en hem verzocht bankafschriften te overleggen. Op 25 februari 2015 heeft appellant een verklaring afgelegd. Appellant heeft bij e-mailbericht van 27 februari 2015 laten weten dat hij bij zijn op 25 februari 2015 afgelegde verklaring blijft. Op 24 en 25 juni 2015 heeft de sociaal rechercheur een buurtonderzoek uitgevoerd in de hiervoor genoemde wijk. In dat verband zijn getuigen gehoord. Op 17 augustus 2015 is nog een getuige gehoord.

1.2.

De onderzoeksresultaten waren voor het college aanleiding om bij besluit van 29 april 2015 de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2015 in trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.248,78 van hem terug te vorderen.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van werkzaamheden als glazenwasser en de inkomsten daaruit, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 februari 2015 tot en met 29 april 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Ter beoordeling staat of het college daarin geslaagd is met de in dit geding beschikbare gegevens over de gehele te beoordelen periode.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode geen werkzaamheden als glazenwasser heeft verricht. De waarnemingen zijn vóór de te beoordelen periode gedaan. Uit de verklaringen kan evenmin worden afgeleid dat hij in de te beoordelen periode heeft gewerkt. Hij heeft verklaard uitsluitend op 20 en 21 januari 2015, de data waarop hij door de sociale recherche werkend is aangetroffen, te hebben gewerkt als glazenwasser. Deze beroepsgrond slaagt niet. In dit verband wordt verwezen naar wat appellant heeft verklaard op 25 februari 2015: “U confronteert mij met het gegeven dat uit uw onderzoek is gebleken dat ik nog steeds glazen was bij particulieren. Ik kan u daar het volgende over vertellen. Ik help mijn vader af en toe. Ik doe dit op zijn vraag. Het is juist dat ik afgelopen maandag heb geholpen van 09:00 uur tot 11:00 uur. Dat is het.” Uit deze verklaring volgt dat appellant in ieder geval - ook - in de maand februari 2015 werkzaamheden als glazenwasser heeft verricht.

4.4.

Het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht vindt voorts steun in de verklaring van 13 maart 2015 van [naam vader] , de vader van appellant. Hij heeft als volgt verklaard: “Ik heb drie zonen en zij staan altijd om de beurt klaar om mij een paar uur te helpen, dit gaat over en weer, en deze hulp die ik ontvang wordt door alle drie mijn zoons kosteloos verleend, dit omdat ik 71 jaar word en zij mij dit gunnen, daar ik geen aanvullend pensioen geniet naast mijn AOW.” Uit deze verklaring die in de tegenwoordige tijd is gesteld volgt dat appellant zijn vader ten tijde van het afleggen van deze verklaring, in maart 2015, nog hielp met glazenwassen.

4.5.

Voor het standpunt van het college kan verder steun worden gevonden in een aantal getuigenverklaringen. Op 17 augustus 2015 heeft getuige [getuige 1] een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat appellant eens in de maand, meestal aan het begin van de maand, de ramen komt wassen in de wijk. Zij heeft ook wel gezien dat hij zeemt in de aangrenzende wijk. Soms is de tussenperiode iets korter of langer. Zij denkt dat dit weersafhankelijk is. Zij werd door appellant persoonlijk benaderd aan de deur van haar woning nadat zij daar kwam wonen. Zij woont daar vanaf oktober 2004, dus nu bijna elf jaar. Zij betaalt daar € 10,- per keer voor. Zij heeft verder verklaard dat zij meent dat in april van dat jaar appellant weer uit de roulatie was om te zemen. Een broer van hem kwam toen ramen zemen. Getuige [getuige 2] heeft op 24 juni 2015 een schriftelijke verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat de vader van appellant bij haar de glazen wast. Zij heeft de glazenwasser omschreven als een oudere man met wit grijzend haar en een stevigere zoon met donker haar. De vader werkt aan de voorkant van de woningen en de zoon aan de achterkant. Zij heeft op de vraag of er een periode is geweest dat er een andere glazenwasser kwam of komt, verklaard dat zij dacht dat zij woensdagochtend een andere glazenwasser had gezien bij de buren, maar dat durft zij niet met zekerheid te zeggen.

4.6.

Op basis van de in 4.3 tot en met 4.5 genoemde onderzoeksbevindingen is het college er terecht van uitgegaan dat appellant in de gehele hier te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht. Duidelijke indicaties dat appellant tijdens het door het college ingestelde onderzoek is gestopt met deze werkzaamheden ontbreken. In dat verband is van belang dat appellant desgevraagd geen informatie heeft verstrekt over de datum van de hernia-operatie die hij stelt rond de periode in geding te hebben ondergaan.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant over de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, met als gevolg dat het recht op bijstand niet was vast te stellen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in het geval hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de periode in geding wel recht op bijstand zou hebben gehad, omdat hij geen administratie heeft overgelegd. Ook overigens heeft appellant geen gegevens overgelegd op basis waarvan het recht op bijstand alsnog is vast te stellen.

4.8.

Gelet op 4.7 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college op grond van

artikel 54, derde lid, van de PW gehouden was de bijstand van appellant met ingang van

1 februari 2015 in te trekken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. Tuit

HD