Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
16/693 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending van de in artikel 60, lid 1 PW, opgenomen verplichting inlichtingen te verstrekken. Invordering via beslag zonder rekening te houden met beslagvrije voet (art. 60 lid 6 PW).

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/401 met annotatie van Red.

Uitspraak

16/693 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2015, 15/5143 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 26 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Çiçek advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Darwish-Willeboordse, G.B. Hannappel en A. Veldhuis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Deze zijn in de hieronder volgende overwegingen 1.1.1 tot en met 1.1.5 ontleend aan de in 1.1.6 vermelde uitspraak van de Raad van 18 februari 2014.

1.1.1.

Appellant ontving sinds 26 februari 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In het kader van een onderzoek van de sociale recherche naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie onderzoek gedaan naar onroerende zaken van appellant in Turkije. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant bij de afdeling onroerende zaaksbelastingen van de deelgemeente [deelgemeente 1] in [gemeente] belastingaangiftes heeft ingediend voor twee werkplaatsen en zes appartementen (onroerende zaken te [gemeente] ), dat de onroerende zaken te [gemeente] op 18 mei 2005 zijn opgeleverd en door een lokale makelaar op 11 augustus 2010 zijn getaxeerd op minimaal € 500.000,- en dat appellant sinds 19 oktober 2000 eigenaar is van de bouwgrond waarop de onroerende zaken te [gemeente] zijn gebouwd. Voorts heeft de sociale recherche appellant als verdachte verhoord.

1.1.2.

Bij besluit van 28 april 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van netto

€ 166.300,78. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college het teruggevorderde bedrag gebruteerd en in verband daarmee verhoogd tot € 209.338,47. Deze besluiten berusten op de overweging dat appellant sinds 1 juli 1997 onroerende zaken in zijn bezit heeft en dat, nu hij daarvan geen gegevens kan overleggen, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.1.3.

Appellant heeft hangende de door hem tegen de besluiten van 28 en 29 april 2011 gemaakte bezwaren stukken ingebracht die betrekking hebben op onroerende zaken te [gemeente] , waaronder op zijn naam staande eigendomsbewijzen, verklaringen van Turkse autoriteiten en een verklaring van de broers van appellant, inhoudende dat de onroerende zaken te [gemeente] hen toebehoren en dat deze onroerende zaken slechts om fiscale redenen op naam van appellant zijn gezet.

1.1.4.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 28 en 29 april 2011 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant had al vanaf de aanvang van de bijstandsverlening onroerende zaken in zijn bezit. De door appellant in bezwaar overgelegde stukken bevestigen dit. Door van het bezit van onroerende zaken geen melding te maken aan het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand van 1 juli 2000 tot 2010 niet worden vastgesteld. In 2010 beschikte appellant over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens.

1.1.5.

Bij uitspraak van 18 juli 2012, 12/1909, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 januari 2012 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 19 oktober 2000 tot en met 11 augustus 2010 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Appellant stond ingeschreven als eigenaar van zes appartementen en twee werkplaatsen. Hij is er niet in geslaagd om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij niet (redelijkerwijs) kan of kon beschikken over deze op zijn naam staande onroerende zaken. De overgelegde verklaring van de broers van appellant is daartoe niet voldoende, aangezien appellant zelf tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat hij het onroerend goed samen met zijn broers heeft aangekocht. Nu appellant van de onroerende zaken te [gemeente] geen melding heeft gemaakt aan het college, is hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Gelet op de getaxeerde waarde in 2010 is in voldoende mate aannemelijk dat appellant sinds 19 oktober 2000 beschikte over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Het recht op bijstand over de periode van 19 oktober 2000 tot en met 11 augustus 2010 was daarom wel vast te stellen.

1.1.6.

De Raad heeft bij uitspraak van 18 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:452) de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2012 bevestigd. Daartoe heeft de Raad het oordeel van de rechtbank en de onder 1.1.5 verwoorde overwegingen waarop dat oordeel berust, onderschreven. De Raad heeft hieraan onder meer nog het volgende toegevoegd. Onder de door appellant in bezwaar ingebrachte stukken bevindt zich een verklaring van de directeur financiën van de (deel)gemeente [deelgemeente 2] van Turkije van 10 juni 2011, inhoudende dat de op naam van appellant staande onroerende zaak - de onroerende zaken te [gemeente] - op 7 maart 2011 zijn verkocht en dat op naam van appellant geen onroerende zaak staat ingeschreven. Wanneer de onroerende zaken te [gemeente] zijn overgedragen, is echter niet bekend, zodat deze verklaring op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat appellant in de periode van

7 maart 2011 tot en met 28 april 2011 - de einddatum van de te beoordelen periode - niet (redelijkerwijs) over die onroerende zaken kon beschikken. Zou deze conclusie wel kunnen worden getrokken op basis van bedoelde verklaring van 10 juni 2011, dan moet, gezien de hoogte van de getaxeerde waarde van de onroerende zaken te [gemeente] op 11 augustus 2010, worden aangenomen dat appellant ook in de periode van 7 maart 2011 tot en met 28 april 2011 beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Er bestaat geen aanleiding om de door een lokale makelaar op 11 augustus 2010 getaxeerde waarde van de onroerende zaken te Istanbul van ten minste € 500.000,- voor onjuist te houden.

1.2.1.

Bij brief van 7 februari 2014 heeft het college appellant bericht voornemens te zijn beslag te leggen op zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen), en hem verzocht om informatie te verstrekken over zijn inkomsten en vermogen, om de beslagvrije voet exact te kunnen bepalen. Hierbij heeft het college vermeld dat indien appellant geen dan wel onvolledige informatie verstrekt, de beslagvrije voet op grond van artikel 60, eerste en zesde lid, van de WWB op nihil zal worden gesteld, waardoor zijn AOW-pensioen volledig zal worden beslagen.

1.2.2.

Appellant heeft met het daartoe bestemde en door hem ondertekende ‘Vragenformulier debiteuren’, gedagtekend 17 februari 2014 en voorzien van een aantal bijlagen, opgave gedaan van zijn inkomsten en vermogen. Op dit formulier heeft appellant opgegeven dat zijn vermogen € 0,- bedraagt.

1.3.

Bij brief van 5 maart 2014 heeft het Hoofd van de Afdeling Invordering van de gemeente Den Haag appellant medegedeeld, onder verwijzing naar de onder 1.1.6 genoemde uitspraak van de Raad van 18 februari 2014, dat appellant ook nu weer geen informatie heeft verstrekt over zijn vermogensbestanddelen, zodat de beslagvrije voet op grond van artikel 60, eerste en zesde lid, van de WWB op nihil wordt gesteld en zijn volledige AOW-pensioen zal worden beslagen.

1.4.

Vanaf maart 2014 ligt het volledige AOW-pensioen van appellant onder beslag bij de Sociale verzekeringsbank.

1.5.

Bij brief van 19 januari 2015 heeft appellant het college verzocht de beslagvrije voet onverwijld en met terugwerkende kracht aan te passen overeenkomstig de door appellant gemaakte berekening. Volgens deze berekening bedraagt de beslagvrije voet € 1.834,07 per maand. Omdat het AOW-pensioen van appellant € 740,60 netto per maand bedraagt, kan geen beslag worden gelegd.

1.6.

Bij besluit van 27 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om aanpassing van de beslagvrije voet afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd. Vaststaat dat appellant met betrekking tot zijn vermogen in het buitenland geen bewijsstukken heeft aangeleverd op grond waarvan kan worden gesteld dat hij daarover niet meer beschikt. Het standpunt dat appellant over verzwegen onroerende zaken in het buitenland beschikt, wordt dan ook gehandhaafd. Nu appellant daarover geen openheid van zaken verschaft, is sprake van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de Participatiewet (PW). Dat de onroerende zaken niet aan appellant toebehoorden, is nergens uit gebleken. Aldus bestaat onvoldoende reden om de beslagvrije voet aan te passen. Uit de in het dossier aanwezige stukken kan niet worden opgemaakt dat het vermogen in Turkije is vervreemd en tegen welk bedrag dit vermogen in eigendom zou zijn overgedaan. Ook is niet bekend wat appellant met een eventuele opbrengst van het vermogen heeft gedaan.

1.7.

Hangende het beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant een groot aantal stukken ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij nooit heeft beschikt over onroerende zaken in [gemeente] en dat deze onroerende zaken zijn verkocht. Voor een groot deel betreffen het dezelfde stukken die appellant al in de intrekkings- en terugvorderingsprocedure had ingebracht, zoals de in 1.1.3 genoemde verklaring van zijn broers.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 60, eerste lid, van de PW is bepaald dat de persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd verplicht is desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.

Het zesde lid bepaalt dat zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid en de artikelen 18a, achtste lid, en 47g, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:

a. het college, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;

b. de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet geldt bij invordering van kosten van bijstand en de bestuurlijke boete bij dwangbevel.

4.2.

Onder verwijzing naar de in beroep ingebrachte stukken heeft appellant, kort weergegeven, aangevoerd dat hij aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan, omdat hij informatie heeft verstrekt over het vermogen dat in Turkije op zijn naam stond en dat inmiddels is verkocht. Hij heeft aldus met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij wegens verkoop en levering vanaf 7 maart 2011 niet redelijkerwijs over de onroerende zaken te [gemeente] kan of kon beschikken. Hij heeft aangetoond dat deze onroerende zaken aan [naam] zijn overgedragen, zodat hij met ingang van die datum niet meer kan worden aangemerkt als eigenaar daarvan. Zijn twee te [gemeente] wonende broers zijn de feitelijke en economische eigenaars van de onroerende zaken te [gemeente] . Om fiscale redenen hebben de broers appellant verzocht de aankoop van deze onroerende zaken op zijn naam te verrichten. De broers hebben besloten om de onroerende zaken te [gemeente] te verkopen en om die reden zijn deze zaken op 7 maart 2011 verkocht en geleverd aan [naam] . Het is appellant niet bekend tegen welk bedrag de onroerende zaken zijn verkocht. Aldus heeft appellant voldoende inlichtingen verschaft over de verkoopopbrengst, die niet aan hem toekomt, omdat hij slechts de juridisch eigenaar was van de onroerende zaken te [gemeente] .

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat appellant zijn stelling dat de onroerende zaken toebehoorden aan zijn broers al tevergeefs naar voren had gebracht in de hoger beroepsprocedure die heeft geleid tot de meergenoemde uitspraak van de Raad van 18 februari 2014. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om over die stelling thans anders te oordelen. Aldus moet appellant geacht worden te beschikken of redelijkerwijs te kunnen beschikken over de onroerende zaken in [gemeente] dan wel, indien deze onroerende zaken zijn verkocht, over de verkoopopbrengst daarvan. Concreet en verifieerbaar bewijs van de gestelde verkoop, in de vorm van bijvoorbeeld verkoop- en/of leveringsaktes, heeft appellant niet verstrekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de onroerende zaken te [gemeente] feitelijk zijn verkocht en geleverd en tegen welke prijs. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de in artikel 60, eerste lid, van de PW bedoelde inlichtingenverplichting heeft geschonden, door geen openheid van zaken te geven over de onroerende zaken te [gemeente] .

4.4.

Nu voorts vaststaat dat het college de bij de besluiten van 28 en 29 april 2011 teruggevorderde kosten van bijstand bij dwangbevel heeft ingevorderd, is het bepaalde in artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW hier van toepassing.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat altijd rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm en artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW op gespannen voet met elkaar staan en in feite tegenstrijdig zijn. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat ondanks het feit dat het bepaalde in artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW in zijn geval van toepassing is, bij de invordering toch rekening had moeten worden gehouden met de beslagvrije voet, slaagt dit betoog niet. De wetgever heeft immers in artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW een uitzondering gecreëerd op de in het Rv geregelde beslagvrije voet. Aangezien vaststaat dat in het geval van appellant de in die bepaling beschreven situatie zich voordoet, heeft het college terecht geweigerd om rekening te houden met de beslagvrije voet.

4.6.

Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat de beslagvrije voet al geruime tijd op nihil is gesteld, dat hij al die tijd geen inkomen heeft gehad en dat hij en zijn gezin daardoor in een ondragelijke situatie verkeren. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat het college in het tijdsverloop aanleiding had moeten zien om alsnog rekening te houden met de beslagvrije voet, slaagt dit betoog niet. Gelet op wat in 4.3 is overwogen en in aanmerking genomen de in augustus 2010 getaxeerde waarde van de onroerende zaken te [gemeente] , bestond voor het college in ieder geval ten tijde van de hier in geding zijnde besluitvorming geen aanleiding om voorbij te gaan aan het bepaalde in artikel 60, zesde lid, aanhef en

onder b, van de PW.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M. Pasmans

HD