Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
17/845 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. De zoon van appellante is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De financiële situatie van appellante vormt op zichzelf geen reden voor het college om van toepassing van de kostendelersnorm op de bijstand van appellante af te wijken. Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt - behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2016 - geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Van een van toepassing zijnde uitzonderingssituatie is geen sprake.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/409
JB 2017/201

Uitspraak

17 845 PW

Datum uitspraak: 26 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2016, 16/3528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar zoon, [naam zoon], hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zoon. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 23 september 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Thans ontvangt appellante een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet alsmede een aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Haar zoon ontving tot en met 31 augustus 2015 studiefinanciering. Met ingang van 24 september 2015 ontvangt ook hij bijstand op grond van de PW, naar de norm voor een alleenstaande kostendeler in een tweepersoonshuishouden.

1.2.

Bij besluit van 8 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 24 september 2015 toepassing gegeven aan de kostendelersnorm. In dit verband is de bijstand van appellante verlaagd tot een bedrag van € 687,59 per maand, zijnde 50% van de gehuwdennorm. Dit bedrag is gelijk aan de hoogte van de bijstandsuitkering van haar zoon.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de zogeheten kostendelersnorm ingevoerd. In deze zaak is de tekst van deze bepaling van toepassing zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

De Raad ontleent aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Dat in de bijstandswetgeving met die voordelen rekening wordt gehouden is niet nieuw. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bij de uitvoering van de bijstandswetgeving betrokken bestuursorganen hadden tot de inwerkingtreding van de PW in een dergelijke situatie de plicht om overeenkomstig een daartoe vastgestelde verordening de bijstandsuitkering aan te passen door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij werd echter geen rekening gehouden met het aantal kosten delende medebewoners binnen een woning, terwijl de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen, door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, wel afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Met de invoering van de kostendelersnorm in de PW heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.

4.3.

De zoon van appellante heeft gedurende de gehele procedure steeds betoogd dat hij medebelanghebbende is bij het besluit van 8 december 2015 gericht aan appellante, zijn moeder, waarbij op haar bijstand de kostendelersnorm is toegepast. Daartoe heeft de zoon aangevoerd dat toepassing van de kostendelersnorm op de bijstand van zijn moeder heeft geleid tot een ernstige achteruitgang van de levenskwaliteit van zowel hem als zijn moeder. Beiden kunnen door de gedaalde koopkracht niet reserveren, terwijl voor beiden het aflossen van bestaande schulden van levensbelang is. Daarbij moeten zij veel kosten maken inzake een naturalisatieprocedure en moeten zij een overlijdensrisicoverzekering kunnen afsluiten zodat in geval van overlijden van appellante haar lichaam kan worden gerepatrieerd naar Armenië.

4.4.

Vaststaat dat het college noch de rechtbank eerder een oordeel heeft gegeven over de vraag of de zoon van appellante als mede-belanghebbende moet worden aangemerkt. De Raad zal daarover daarom nu een oordeel geven. Hiertoe is het volgende van belang. Een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is degene wiens belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. In dit geval is dat appellante, het betreft de toepassing van de kostendelersnorm op haar bijstand. Het belang dat de zoon heeft bij de hoogte van de bijstand van appellante, is geen rechtstreeks, maar een afgeleid belang bij het besluit van 8 december 2015. De zoon van appellante ontvangt ook zelf bijstand. Daarom is de zoon geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

4.5.

De financiële situatie van appellante zoals die uit de in 4.3 genoemde feiten en omstandigheden kan worden opgemerkt, vormt op zichzelf geen reden voor het college om van toepassing van de kostendelersnorm op de bijstand van appellante af te wijken.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt - behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2016 - geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Van een van toepassing zijnde uitzonderingssituatie is geen sprake.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD