Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
14/2034 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag. Het rapport van de door de Raad geraadpleegde psychiater geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. De Raad ziet geen aanleiding diens conclusies niet te volgen. Geschikt voor de geselecteerde voorbeeldfuncties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2034 WIA

Datum uitspraak: 8 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 april 2014, 13/2735 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere (medische) stukken ingediend.

Het Uwv heeft op die stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Anik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman een psychiatrische expertise verricht en daarover een rapport uitgebracht.

Het Uwv heef hierover zijn zienswijze gegeven.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als schoonmaker/werkloze voorman voor 39,85 uur per week. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 7 januari 2011 vastgesteld dat met ingang van 1 september 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59,9%.

1.2.

Bij besluit van 22 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2013 eindigt en dat hij vanaf deze datum recht heeft op een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 november 2012. In bezwaar heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn beperkingen vanaf oktober 2011 zijn toegenomen als gevolg van fysieke klachten en wegens psychische problematiek.

1.4.

Bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt onder meer een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2013 ten grondslag. Tevens is op basis van arbeidskundig onderzoek, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 20,69%, vastgesteld dat het recht van appellant op een WGA-vervolguitkering met ingang van 27 juni 2013 eindigt, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische problematiek en voorbij is gegaan aan de in geding gebrachte brieven van de behandelend sector. Verder ziet appellant in de omstandigheid dat een AWBZ-indicatie is afgegeven voor persoonlijke verzorging een bevestiging voor zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen. Het Uwv heeft op deze stukken zijn zienswijze gegeven.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep van appellant is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en betrekking heeft op de intrekking van de WGA-vervolguitkering met ingang van 27 juni 2013. De rechtbank heeft onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en heeft evenmin aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid of volledigheid van de rapporten te twijfelen. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de door appellant in beroep ingebrachte informatie van zijn behandelend psychiater.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen een rapport van E.C. van der Eijk, verzekeringsarts/medisch adviseur bij Triage, van 1 juli 2014 overgelegd, alsmede nieuwe informatie van zijn behandelend psychiater van 17 september 2014.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 juli 2014 en 6 oktober 2014, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater Koerselman een psychiatrische expertise verricht en op 17 april 2017 daarvan rapport uitgebracht. Deze komt na onderzoek tot de conclusie dat bij appellant op 27 juni 2013 sprake is geweest van een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve gevoelens, op grond waarvan beperkingen bestonden in het persoonlijk en sociaal functioneren. In de FML van 11 februari 2013 is volgens Koerselman voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een toereikend gemotiveerde medische grondslag en of terecht is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 27 juni 2013 minder dan 35% is.

4.2.

Teneinde een oordeel te kunnen geven over de psychische belastbaarheid van appellant rond de datum in geding heeft Koerselman op verzoek van de Raad een psychiatrische expertise verricht en van zijn bevindingen uit onderzoek en conclusies rapport uitgebracht. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Vormen de daartegen aangevoerde bezwaren een gemotiveerde betwisting, dan moet de rechter zodanig motiveren dat daarbij inzicht wordt gegeven in de aan het oordeel van de rechter ten grondslag liggende gedachtegang, waardoor deze voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar wordt.

4.3.

Het rapport van Koerselman geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. De Raad ziet geen aanleiding diens conclusies niet te volgen. Daarbij is van belang dat Koerselman naast eigen onderzoek alle beschikbare medische informatie heeft bestudeerd. Ten aanzien van de brieven van de behandelend psychiater, drs. B. Köycü, heeft hij te kennen gegeven dat zij in achtereenvolgende brieven melding heeft gemaakt van de diagnoses paniekstoornis (dan weer met en dan weer zonder agorafobie) en depressieve stoornis (variërend van licht/matig tot ernstig en zelfs psychotisch), zonder duidelijk te beargumenteren op welke bevindingen zij haar visie op appellants toestand precies baseerde. Volgens Koerselman is de diagnose aanpassingsstoornis met verschijnselen van angst en depressie een betere weergave van de toestand van appellant op de datum in geding. Tevens heeft Koerselman kennis genomen van het rapport van Van der Eijk en diens conclusies en deze gemotiveerd terzijde gesteld. De Raad ziet geen reden de onderbouwing van Koerselman niet te volgen. Het enkele feit dat Van der Eijk na dossierstudie tot een andere conclusie komt, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.

Voor zover appellant meent dat zijn lichamelijke problematiek door het Uwv is onderschat, wordt overwogen dat appellant geen medische gegevens in geding heeft gebracht waarin aanknopingspunten voor dit standpunt zijn te vinden.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, wordt vastgesteld dat de ten behoeve van het bestreden besluit geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn en dat deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor appellant in de arbeidskundige rapporten van 24 april 2013 en
25 juni 2015 afdoende toegelicht.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB