Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
16/6187 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7294, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken in verband met detentie. Geen aanleiding voor opschorten in plaats van intrekken. Geen recht op bijstand voor huurbetalingen op basis van beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/6187 PW, 17/4441 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 september 2016, 16/618, 16/1046 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 12 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F.M. den Hollander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. N. Roos, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Namens appellant is

mr. J.J.E. Stout, advocaat en kantoorgenoot van mr. Roos, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 22 februari 2007 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond met zijn broer ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Zijn broer heeft zich per 21 augustus 2015 van dat adres uitgeschreven. Naar aanleiding van een signaal dat appellant vanaf 8 juni 2015 gedetineerd was, heeft het college appellant tevergeefs verzocht om uiterlijk op 24 juni 2015 informatie over zijn ontslag uit detentie te verschaffen. Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2015 opgeschort.

1.2.

Op 8 juli 2015 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van zijn maandelijkse huur van € 551,42.

1.3.

Bij besluit van 15 juli 2015 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 9 juni 2015. Bij besluit van 4 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellant ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW geen recht op bijstand heeft gedurende zijn detentie. In bezwaar is gebleken dat appellant met ingang van 26 september 2015 niet langer is gedetineerd waardoor hem met ingang van die datum alsnog bijstand is verleend. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft appellant geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling.

1.4.

Bij besluit van 23 september 2015 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand van appellant toegewezen in die zin dat appellant over de periode van 21 augustus 2015 tot en met 26 september 2015 bijzondere bijstand is verleend tot een bedrag van € 390,25 per maand. Bij besluit van 22 december 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat op grond van zijn beleid bijzondere bijstand kan worden verleend voor kosten van de huur bij detentie indien er geen medebewoners zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2015 en voorts dat het college bij dat besluit de bijstand terecht heeft ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2015 ongegrond wordt verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar wordt afgewezen. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van

15 juli 2015 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant was van 8 juni 2015 tot 26 september 2015 gedetineerd. In artikel 13,

eerste lid, aanhef en onder a, van de PW is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht heeft op bijstand.

Bestreden besluit 1: intrekking

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 9 juni 2015 tot en met 15 juli 2015.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college niet gehouden was tot intrekking van de bijstand, maar de bijstand had kunnen en in het geval van appellant ook had moeten opschorten. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat het college van de gemeente Amsterdam het beleid voert bij een detentie van acht weken of korter het recht op bijstand op te schorten, zodat na afloop van de detentie niet opnieuw bijstand behoeft te worden aangevraagd.

4.4.

Dit betoog treft geen doel. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW had appellant tijdens zijn detentie geen recht op bijstand. Op grond van deze bepaling was voor opschorting van dat recht dus geen plaats. Het college hanteert als vaste gedragslijn het uitvoeringskader Detentiesignalen op grond waarvan de bijstand wordt ingetrokken als de detentie langer duurt dan 30 dagen. Het college heeft in dit kader gewezen op artikel 45, eerste lid, van de PW, waarin is bepaald dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald. Als niet bij voorbaat vaststaat hoe lang de periode van uitsluiting zal gaan duren, gaat het college er van uit dat dit langer dan 30 dagen is. Het college was niet gehouden, in afwijking van artikel 13, eerste lid, van de PW een langere termijn te hanteren en kan niet worden gehouden aan het buitenwettelijke begunstigend beleid van een ander college. Het college heeft voorts in het geval van appellant overeenkomstig zijn vaste gedragslijn gehandeld, nu de detentie van appellant (ruim) meer dan dertig dagen heeft geduurd.

4.5.

Ook het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. De door hem overgelegde beschikking van 6 maart 2015 inzake een andere bijstandsgerechtigde die gedetineerd is geweest, betreft niet een vergelijkbaar geval, omdat het in die zaak ging om een eerst achteraf gebleken periode van detentie van niet langer dan dertig dagen.

Bestreden besluit 2: bijzondere bijstand

4.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat uit het beleid van het college volgt dat ook bijzondere bijstand kan worden verleend voor huurkosten over de periode dat hij gedetineerd was en samen met zijn broer stond ingeschreven op het uitkeringsadres. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat in dit beleid melding wordt gemaakt van een “alleenstaande gedetineerde” en dat hij ook in de periode van 8 juni tot 21 augustus 2015 een alleenstaande was. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In het Handboek Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam is onder 17.4.34 “Woonkosten tijdens detentie/verblijf inrichting” opgenomen dat voor een alleenstaande gedetineerde bijzondere bijstand voor huurbetaling kan worden overwogen. Gelet op de bepaling: “Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de vaste lasten als iemand wegens medische of sociale omstandigheden elders wordt opgenomen. Voorwaarde hiervoor is dat er geen medebewoners zijn en de doorbetaling van de vaste lasten noodzakelijk is.” wordt met “alleenstaande” in dit beleid iemand zonder medebewoners bedoeld. Vaststaat dat appellant tot 21 augustus 2015 wel een medebewoner had.

Conclusie

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college op goede gronden tot intrekking van de bijstand en tot gedeeltelijke weigering van de bijzondere bijstand is overgegaan. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigd de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) S.A. de Graaff

HD