Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
16/7870 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat sprake is van (fors) perceptief, symmetrisch, gehoorverlies, maar dat op basis van de (medische) gegevens niet is vast te stellen wat de oorzaak daarvan is. Een lawaaibeschadiging in en door de militaire dienst is niet waarschijnlijk en niet aannemelijk. Hoogstwaarschijnlijk een toestand met endogene predispositie. Onvoldoende aanknopingspunten om oordeel rechtbank onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/7870 MPW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 november 2016, 16/4302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Frankrijk (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 21 september 2017

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk in het geding gebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen doorH.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is een gewezen dienstplichtig militair. Hij is van 8 februari 1961 tot

8 december 1962 in dienst geweest en is in de periode van 3 juli 1961 tot 6 november 1962 uitgezonden naar het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea. Appellant lijdt aan een gehooraandoening.

1.2.

Appellant heeft de minister op 2 maart 2015 verzocht om een financiële tegemoetkoming in de kosten van hoortoestellen. Bij besluit van 20 juli 2015, gehandhaafd bij besluit van

7 april 2016 (bestreden besluit), heeft de minister dit verzoek afgewezen omdat er geen verband is aanvaard tussen de uitoefening van de militaire dienst en bij appellant bestaande gehoorschade.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de minister op de juiste gronden en op basis van zorgvuldig verricht medisch onderzoek zijn standpunt heeft gehandhaafd dat voor een gehooraandoening van appellant geen dienstverband wordt aanvaard. De voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een hoortoestel is volgens de rechtbank op goede gronden onthouden.

3.
Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het gaat hier om een voorziening met betrekking tot de financiële tegemoetkoming in de kosten van een gehoortoestel als bedoeld in artikel 10a, aanhef en onder b, sub 1, van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Regeling). Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de Regeling worden deze voorzieningen slechts verleend indien de verstrekking daarvan in verband met de aanwezige invaliditeit om medische dan wel sociaal-medische redenen aangewezen is.

3.2.

Het bestreden besluit berust op de overweging dat bij appellant ten tijde van de militaire dienst weliswaar sprake is geweest van lawaai-expositie, maar dat uit de beschikbare gegevens niet kan worden opgemaakt dat de oorzaak van de huidige klachten is gelegen in de lawaai-expositie. De minister is daarbij afgegaan op de resultaten van een op 24 juni 2015 ingesteld verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 25 september 2015 en 14 maart 2016. Aan deze rapporten liggen een militair (medisch) dossier, een audiogram van 23 februari 2015, van 27 april 2010 en

3 december 2003 en een expertise van KNO-arts, dr. J.A. de Ru van 26 juni 2015 ten grondslag. De rechtbank achtte een en ander een voldoende grondslag voor het door de minister ingenomen standpunt.

3.3.

Appellant heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig onderzoek. Volgens appellant komt dit omdat bij de beoordeling van de klachten teveel wordt uitgegaan van de huidige situatie. Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit de rapportage van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt dat appellant is gezien, er een anamnese is verricht, er op verzoek een expertise is uitgebracht door een KNO-arts en er kennis is genomen van de medische gegevens en deze bij de beoordeling zijn betrokken. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de door appellant ingebrachte gegevens en audiogrammen uit 2003 en 2010 bij de (her)beoordeling betrokken. Er bestaat daarom geen grond voor de conclusie dat het onderzoek onvolledig dan wel onzorgvuldig is geweest.

3.4.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat sprake is van (fors) perceptief, symmetrisch, gehoorverlies, maar dat op basis van de (medische) gegevens niet is vast te stellen wat de oorzaak daarvan is. Een lawaaibeschadiging in en door de militaire dienst is niet waarschijnlijk en niet aannemelijk. De medische gegevens wijzen erop dat het hoogstwaarschijnlijk een toestand met endogene predispositie betreft, waarover bovendien nagenoeg zeker te stellen is dat eventuele lawaaibeschadiging geen etiologische factor is. Wat appellant heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen onjuist te achten. De door appellant in hoger beroep overgelegde stukken leiden evenmin tot een ander oordeel, omdat deze stukken geen gegevens bevatten over de causaliteitsvraag of over de ernst van de beperkingen.

3.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD