Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
16/1448 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon WIA-uitkering juist vastgesteld. Het Uwv heeft de in december 2012 aan appellant betaalde WW-uitkering terecht in zijn geheel buiten beschouwing gelaten, ook voor zover die zag op het in de referteperiode gelegen tijdvak van 12 november 2012 tot en met 30 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2017:2961). Appellant heeft op 2 december 2011 van zijn werkgever loon ontvangen over de periode 7 november 2011 tot en met 4 december 2011. Het Uwv heeft van deze betaling uitsluitend het bedrag dat toegerekend kan worden aan het in de referteperiode vallende tijdvak van 1 tot en met 4 december 2011 in aanmerking genomen. Hiermee is een juiste toepassing gegeven aan artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1448 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 januari 2016, 15/3030 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. Seriese hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Seriese heeft zich onttrokken aan de zaak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam A] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk vanaf 1 januari 2004 als elektrotechnicus werkzaam geweest bij [naam werkgever] (werkgever). Vanaf 1 oktober 2012 heeft hij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Met ingang van 29 december 2012 heeft hij zich ziek gemeld.

1.2.

Op 6 oktober 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 28 november 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van
29 december 2014 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,62% en het dagloon is vastgesteld op € 149,13. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5.

Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2015 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,51%. Voor het overige is bestreden besluit 1 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 betrokken in haar beoordeling. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het zag op de mate van arbeidsongeschiktheid. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, evenals het beroep tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft met betrekking tot het dagloon overwogen dat de wettelijke bepalingen het Uwv geen ruimte laten om loon dat is ontvangen voor aanvang van de referteperiode, of WW-uitkering die is ontvangen na afloop van de referteperiode, bij de vaststelling van het dagloon te betrekken. De rechtbank is verder niet gebleken van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv het dagloon niet juist heeft vastgesteld, omdat het ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn inkomen over de volledige referteperiode van 52 weken. Door slechts het inkomen over 52 weken minus 15 (werk)dagen in aanmerking te nemen en dat vervolgens te delen door 261 ter verkrijging van het dagloon is appellant benadeeld. Appellant heeft er verder op gewezen dat het Uwv ten aanzien van zijn inkomen over de gebroken aangiftetijdvakken aan het begin en aan het einde van de referteperiode niet eenduidig heeft gehandeld, door de loonbetaling wel, maar de
WW-uitkering niet in de berekening van het dagloon te betrekken voor zover die zag op tijdvakken in de referteperiode. Volgens appellant heeft de handelwijze van het Uwv geleid tot een apert onredelijke uitkomst en heeft hij daardoor een inkomstenderving van € 9,20 per dag (€180,- per vier weken). Dit is volgens hem in strijd met het dervingsbeginsel. Appellant heeft bepleit dat ofwel alle inkomsten die betrekking hebben op de referteperiode, ofwel alle inkomsten die feitelijk in de referteperiode zijn betaald worden meegenomen in de dagloonberekening.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

4.1.2.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.

4.1.3.

Ten tijde van het bestreden besluit was van toepassing het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat luidde met ingang van 1 juni 2013 (Stb. 2013,185; Dagloonbesluit). Op grond van artikel 26, tweede lid, van het Dagloonbesluit blijft het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, zoals dat luidde voor de intrekking daarvan, van toepassing op uitkeringen als bedoeld in dat besluit waarvan de eerste uitkeringsdag is gelegen voor de datum van intrekking. Uit artikel 26, vierde lid, van het Dagloonbesluit volgt dat onder uitkeringsdag voor de Wet WIA wordt verstaan de dag dat recht op uitbetaling bestaat op grond van artikel 67 van de Wet WIA. Appellant is met ingang van
29 december 2014 een WIA-uitkering toegekend, zodat in zijn geval het Dagloonbesluit van toepassing is.

4.1.4.1. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de WW, zoals dit luidde ten tijde van belang, betaalt het Uwv de uitkering in de regel per vier kalenderweken of per maand achteraf. Op grond van artikel 14 van het Dagloonbesluit, voor zover van belang, wordt onder loon wordt verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Een WW-uitkering wordt in dit artikel als loon aangemerkt.

4.1.4.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.1.4.3. Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA de uitkomst van de volgende berekening:

[(A–B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261.

4.1.4.4. Het tweede lid van artikel 16 van het Dagloonbesluit bepaalt dat de factoren A, B en C, die bij de berekening van een gebroken aangiftetijdvak in aanmerking worden genomen, worden verkregen door het loon respectievelijk de vakantiebijslag over het desbetreffende gebroken aangiftetijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z waarbij:

Y staat voor het aantal binnen het refertejaar gelegen dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak waarop de werknemer in dienstbetrekking is; en

Z staat voor het totale aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak waarop de werknemer in dienstbetrekking is.

Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.

4.1.4.5. In artikel 1, aanhef en onder d, van het Dagloonbesluit is bepaald dat onder gebroken aangiftetijdvak wordt verstaan een aangiftetijdvak dat deels binnen en deels buiten het refertejaar voor de Wet WIA valt.

4.1.4.6. In het vierde lid van artikel 16 van het Dagloonbesluit is bepaald dat, voor zover het loon bestaat uit een uitkering op grond van de WW, bij de berekening van het dagloon de uitkering als loon in aanmerking wordt genomen volgens de in dat artikellid neergelegde formule.

4.2.

Niet in geschil is dat de in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA genoemde referteperiode liep van 1 december 2011 tot en met 30 november 2012. Zowel aan het begin als aan het einde van deze periode was sprake van een gebroken aangiftetijdvak. Appellant heeft de wijze waarop het Uwv het loon over die perioden (niet) heeft betrokken in de dagloonberekening betwist

4.3.1.

Vaststaat dat de betaling van de WW-uitkering van appellant over de periode van
12 november 2012 tot en met 9 december 2012 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 33 van de WW achteraf, op 11 december 2012, heeft plaatsgevonden.

4.3.2.

In een uitspraak van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2961) heeft de Raad in een vergelijkbare zaak onder verwijzing naar de nota van toelichting bij artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit en zijn rechtspraak over het gelijkluidende artikel 2 van het Besluit Dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb. 2005, 546) eerdere rechtspraak herhaald dat de hiervoor genoemde bepalingen geen ruimte laten om, zoals door appellant bepleit, een reguliere betaling van WW-uitkering die na correcte toepassing van artikel 33, eerste lid, van de WW is gedaan na afloop van het refertejaar mee te nemen bij de vaststelling van het

WIA-dagloon en te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Gelet op deze uitspraak heeft het Uwv de in december 2012 aan appellant betaalde WW-uitkering terecht in zijn geheel buiten beschouwing gelaten, ook voor zover die zag op het in de referteperiode gelegen tijdvak van 12 november 2012 tot en met 30 november 2012.

4.4.

Appellant heeft op 2 december 2011 van zijn werkgever loon ontvangen over de periode 7 november 2011 tot en met 4 december 2011. Het Uwv heeft van deze betaling uitsluitend het bedrag dat toegerekend kan worden aan het in de referteperiode vallende tijdvak van 1 tot en met 4 december 2011 in aanmerking genomen. Hiermee is een juiste toepassing gegeven aan artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit. Artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit verzet zich er, gelet op de daarin opgenomen herleidingsformule, tegen dat de loonbetaling in zijn geheel in de dagloonberekening wordt meegenomen, zoals door appellant bepleit.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv het dagloon bij bestreden besluit 1 op de juiste wijze heeft vastgesteld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB