Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
16/1430 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant had ten tijde van het bestreden besluit, 7 juli 2015, het pgb niet volledig gebruikt voor het betalen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Appellant had voldoende tijd om de laatste factuur van 15 januari 2015 voor het afleggen van verantwoording te betalen. Zorgkantoor was bevoegd het pgb lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Zorgkantoor heeft mogen afzien van een hoorzitting na uitdrukkelijke verklaring van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1430 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2016, 15/6056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 20 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is vertegenwoordigd door mr. J. Jonk. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Beckers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor zorg. Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2014 een netto persoonsgeboden budget (pgb) verleend van € 16.201,-.

1.2.

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op € 16.075,-. Daarbij heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat aan appellant een pgb van € 16.201,- is verleend, dat appellant een bedrag van € 15.825,- juist heeft verantwoord en dat er een verantwoordingsvrij bedrag geldt van € 250,-. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 126,- wordt teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2015 ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant een lager bedrag heeft verantwoord dan dat het Zorgkantoor aan hem heeft verleend. Verder is uit de door appellant overgelegde stukken gebleken dat hij, anders dan hij heeft verantwoord, aan de zorgverlener een bedrag van € 15.200,- heeft betaald voor door hem ingekochte zorg over het jaar 2014. Het Zorgkantoor heeft de vaststelling en de terugvordering echter ongewijzigd gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Zorgkantoor appellant voldoende in de gelegenheid gesteld om in de bezwaarprocedure te worden gehoord, maar heeft appellant van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen aanleiding is om af te wijken van het bepaalde in artikel 2.6.13, vijfde lid, van de Rsa. Dat appellant de laatste factuur van de zorgverlener van het jaar 2014 niet tijdig heeft betaald, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het Zorgkantoor heeft in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging kunnen komen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat appellant over het jaar 2014 een bedrag van € 16.550,- aan de zorgverlener moest betalen en dat hij hiervan € 16.000,- heeft betaald. De omstandigheid dat appellant de laatste factuur van 2014, ontvangen op 15 januari 2015, ten tijde van het bestreden besluit nog niet had betaald, doet daar niets aan af. Rekening houdend met het vrij te laten bedrag is het verleende pgb hiermee volledig verantwoord, zodat het Zorgkantoor het pgb niet lager mocht vaststellen. Ook kon er van een terugvordering geen sprake zijn. Appellant heeft voorts gesteld dat het Zorgkantoor bij de lagere vaststelling en de terugvordering geen belangenafweging heeft gemaakt. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij zijn recht om te worden gehoord in de bezwaarfase niet heeft opgegeven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststelling en terugvordering

4.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verzekerde het pgb uitsluitend gebruikt voor het betalen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k.

4.2.

Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. In artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.3.

Ingevolge artikel 2.6.13, vijfde lid, van de Rsa, voor zover hier van belang, wordt het pgb vastgesteld op de som van 1,5% van het voor het kalenderjaar beschikbare netto pgb, maar ten minste op € 250,- en ten hoogste op € 1.250,-, en het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto pgb, voor zover er betalingen mee zijn verricht met inachtneming van artikel 2.6.9 van de Rsa.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant ten tijde van het bestreden besluit het pgb niet volledig had gebruikt voor het betalen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Dit betekent dat het Zorgkantoor, gelet op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb en artikel 2.6.13, vijfde lid, van de Rsa, bevoegd was het pgb lager vast te stellen.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is.

4.6.

Vooropstaat dat de verantwoording voor de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. De laatste factuur voor het jaar 2014 van € 1.350,- is op 15 januari 2015 naar appellant verstuurd. Appellant had voldoende tijd om deze factuur voor het afleggen van verantwoording te betalen. Gezien artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa moet de verantwoording immers pas binnen zes weken na het einde van het jaar 2014 plaatsvinden. Gelet op de door appellant ontvangen voorschotten, moet worden aangenomen dat appellant ook de middelen had dit bedrag voor het einde van de termijn waarbinnen hij verantwoording moest afleggen te betalen. Gelet hierop heeft het Zorgkantoor zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat appellant de laatste factuur pas (geruime tijd) na het bestreden besluit (gedeeltelijk) heeft betaald voor zijn rekening en risico dient te komen. De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden er dan ook niet toe dat het Zorgkantoor bij afweging van de belangen niet tot de lagere vaststelling heeft kunnen komen.

4.7.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft kunnen maken, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 126,- aan voorschotten betaald en is het tot terugvordering daarvan bevoegd. In de aangevoerde beroepsgrond dat appellant onder behandeling is bij een psycholoog heeft het Zorgkantoor geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien. Verder is niet gebleken dat de (ter zitting genoemde) financiële gevolgen voor appellant als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt. Het Zorgkantoor heeft dan ook in redelijkheid tot terugvordering kunnen besluiten.

Hoorzitting

4.8.1.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, onder c, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

4.8.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Zorgkantoor heeft mogen afzien van een hoorzitting. Hierbij is van belang dat appellant in bezwaar uitdrukkelijk heeft verklaard dat een telefonische hoorzitting achterwege kan blijven. Daarnaast heeft het Zorgkantoor appellant bij brief van 10 juni 2015 nogmaals gevraagd of hij gehoord wenst te worden, maar appellant heeft hierop niet gereageerd. De stelling van appellant dat hij in de overtuiging was dat zijn bezwaar gegrond zou worden verklaard en dat een hoorzitting daarom geen meerwaarde zou hebben, doet aan het voorgaande niets af. Deze hogerberoepsgrond van appellant slaagt dan ook niet.

4.9.

Wat hiervoor is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) B. Dogan

AB